Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 27 juli 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:6140

werknemer/werkgever

Werkgever handelt niet ernstig verwijtbaar door slapend dienstverband in stand te laten na 104 weken ziekte. Verzuim intrekkingsbevoegdheid ontbindingsverzoek werknemer kan niet in hoger beroep worden hersteld.

Werknemer is op 3 juli 2006 bij werkgever in dienst getreden als chauffeur. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 2.304,80 bruto per vier weken. Werknemer is op 4 november 2013 arbeidsongeschikt geworden. Per november 2015 ontvangt werknemer een WGA-uitkering (80 tot 100% arbeidsongeschiktheid ). Partijen hebben getracht een beëindigingsovereenkomst te sluiten. Werknemer heeft in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de voet van artikel 7:671c lid 1 BW onder toekenning van de transitievergoeding. Volgens werknemer is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van werkgever, bestaande uit het weigeren de arbeidsovereenkomst te beëindigen en daarbij de transitievergoeding te betalen. Subsidiair heeft werknemer verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de voet van artikel 7:686 BW in verband met ernstige wanprestatie van werkgever omdat hij na het tweede ziektejaar de 'slapende overeenkomst' niet heeft beëindigd. Meer subsidiair heeft werknemer verzocht om toekenning van een schadevergoeding op basis van slecht werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. In alle gevallen maakte werknemer aanspraak op een bedrag ter grootte van de transitievergoeding van € 13.291,58 bruto. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden zonder toekenning van een vergoeding. Werknemer is niet in de gelegenheid gesteld zijn verzoek in te trekken (art. 7:686a lid 7 BW).

Het hof oordeelt als volgt. Of de reden voor werkgever om niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan uitsluitend was gelegen in het niet willen betalen van de transitievergoeding kan in het midden blijven, nu het hof van oordeel is dat ook in dat geval niet kan worden gezegd dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de kant van werkgever . Een verplichting voor werkgever om werknemer zo snel mogelijk te ontslaan na ommekomst van de loondoorbetalingstermijn bestaat immers niet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek tot toekenning van de transitievergoeding terecht heeft afgewezen.

Intrekkingsbevoegdheid

Het hof ziet geen aanleiding om het woord vergoeding in de leden 6 en 7 van artikel 7:686a BW zo beperkt uit te leggen dat de transitievergoeding daaronder niet wordt begrepen. Dit zou evenwel, ook als werknemer zijn verzoek zou hebben gehandhaafd, niet hebben kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking, nu artikel 7:686a BW leden 6 en 7 (slechts) zien op de eerste aanleg. Een verwijzing naar dit artikel in de artikelen die betrekking hebben op de behandeling in hoger beroep ontbreekt en de wetgever heeft voor het hoger beroep op dit punt geen aanwijzingen gegeven. Met het stelsel van de Wet werk en zekerheid (Wwz) is beoogd dat een beslissing van de kantonrechter tot ontbinding of diens afwijzing van een verzoek tot vernietiging van een opzegging een definitief karakter heeft, dat wil zeggen dat daarmee vast staat dat de arbeidsovereenkomst geëindigd is. Indien het hof van oordeel is dat de kantonrechter ten onrechte tot die beslissing is gekomen, dan kan het (zij het niet in een geval als dit, waarbij de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer is ontbonden) de werkgever veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst of een billijke vergoeding in plaats van herstel toewijzen. Gesteld dat de werknemer, wiens arbeidsovereenkomst op eigen verzoek is ontbonden, in hoger beroep alsnog de intrekkingsbevoegdheid zou krijgen en daarvan gebruik zou maken, dan ontbeert de wet evenzeer een regeling wat er dan met eventuele loonaanspraken en dergelijke in de periode tussen de eerste aanleg en de uitspraak in hoger beroep dient te gebeuren. Het treffen van een regeling voor die situatie gaat de taak van de rechter te buiten.