Naar boven ↑

Rechtspraak

X en Y/Spijkenisse Medisch Centrum B.V. c.s.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 31 augustus 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:7002

X en Y/Spijkenisse Medisch Centrum B.V. c.s.

Longartsen failliet ziekenhuis krijgen grotendeels gelijk. Er is sprake van ongerechtvaardigde verrijking, daar gedeelte van de patiënten van de longartsen, na praktijkovername, bij de ziekenhuizen is gebleven.

X en Y zijn longarts en vorm(d)en samen een maatschap. X en Y zijn respectievelijk sinds 2002 en 2007 werkzaam geweest bij het Ruwaard van Puttenziekenhuis te Spijkenisse (hierna: RVP), dat werd geëxploiteerd door de Stichting Ruwaard van Puttenziekenhuis (hierna: SRPZ). De samenwerking van X en Y met SRPZ vond plaats op basis van toelatingsovereenkomsten, op grond waarvan zij als medisch specialist waren toegelaten tot het ziekenhuis om voor eigen rekening en risico de longgeneeskundepraktijk uit te oefenen. Op 24 juni 2013 is SRPZ op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard door de Rechtbank Den Haag. De curatoren hebben de inventaris, voorraden en immateriële activa van het ziekenhuis overgedragen aan SMC en niet de zelfstandige praktijken van de medisch specialisten. SMC heeft met X en Y arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten. Die arbeidsovereenkomsten hebben, na verlenging, gegolden tot en met 31 december 2014. X en Y vorderen verklaringen voor recht, inhoudende dat SMC c.s. de praktijken van X en Y op onrechtmatige wijze hebben overgenomen, zonder daarvoor een redelijke vergoeding te betalen en dat SMC c.s. hierdoor ongerechtvaardigd zijn verrijkt.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het concrete verwijt is in de eerste plaats gelegen in het niet verlengen van de toelatingsovereenkomsten van X en Y dan wel het niet aanbieden van nieuwe. Als onbetwist staat vast dat sommige andere artsen wel in de gelegenheid zijn gesteld om enige tijd na oprichting van SMC met haar een nieuwe toelatingsovereenkomst te sluiten en daardoor in feite op dezelfde voet voort te gaan als voor het faillissement. De rechtbank oordeelt dat de contractsvrijheid, die het uitgangspunt is, in casu in zoverre beperkt was dat SMC rekening had te houden met de voor haar kenbare belangen van X en Y. Na afweging van die belangen en de andere belangen stond het haar vrij om daaraan in concreto voorbij te gaan. SMC stond immers voor de opgave om een succes te maken van de doorstart van een ziekenhuis, waarbij zeer vele personen zoals patiënten, artsen en werknemers en hun belangen betrokken waren. Aanvankelijk is afgezien van het aanbieden van nieuwe toelatingsovereenkomsten omdat de situatie onvoldoende was uitgekristalliseerd. SMC heeft X en Y toen tijdelijke arbeidsovereenkomsten aangeboden. Dat was, in die omstandigheden, een redelijke beslissing. Later bleek dat de andere longartsen hadden te kennen gegeven niet met X en Y samen te willen werken. SMC hechtte echter bij de nieuwe invulling sterk aan regionale inbedding van de longgeneeskunde in haar ziekenhuis. Dit bracht mee dat de longartsen van SMC en de ziekenhuizen nauw moesten samen werken. Dat die samenwerking in de huidige constructie noodzakelijk is kon SMC in redelijkheid menen. Geconfronteerd met de wens van de andere longartsen om zonder X en Y verder te gaan en in hun plaats jonge mensen aan te trekken kon SMC dan ook in redelijkheid tot de beslissing komen om X en Y geen nieuwe toelatingsovereenkomst (en ook, na 1 januari 2015, geen arbeidsovereenkomst) aan te bieden. Het tweede onrechtmatigheidselement in de visie van X en Y is de overname van hun praktijk. Daarmee wordt gedoeld op de feitelijke voortzetting van de behandeling van voormalige patiënten van X en Y in het gebouw en met gebruikmaking van de faciliteiten van het voormalige RVP, dat inmiddels door SMC c.s. gedreven wordt. Niet ter discussie staat dat deze feitelijke gang van zaken met name is veroorzaakt doordat de artsen geen heil zagen in de samenwerking met X en Y als hiervoor bedoeld. Hetgeen op dat punt hiervoor is overwogen geldt ook hier. Het derde onrechtmatigheidselement in de visie van X en Y is het niet betalen van een redelijke vergoeding voor de overgenomen praktijk. In het algemeen wordt handelen of nalaten dat op zichzelf niet onrechtmatig is niet alsnog onrechtmatig wegens het enkele niet betalen van een vergoeding. Er bestaat geen algemeen geldende rechtsnorm van die strekking. Het voorgaande laat onverlet dat sprake kan zijn van ongerechtvaardigde verrijking. X en Y stellen daartoe dat zij, als gevolg van de gehele gang van zaken, verarmd zijn, dat SMC c.s. verrijkt zijn, dat tussen de verrijking en verarming een causale relatie bestaat en dat voor die verrijking geen rechtvaardiging bestaat. De verarming die X en Y in het kader van de vordering vergoed willen zien is het verlies aan goodwill. In het kader van de verrijking is voldoende onderbouwd dat een gedeelte van de patiënten van X en Y (en RVP) bij SMC is gebleven; daarin is een verrijking gelegen. De verklaring voor recht op dit punt kan dus gegeven worden. Het schadedebat dient in volle omvang in een schadestaatprocedure te worden gevoerd.