Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21 juli 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:6479
werkneemster/OnderwijsPost B.V.
Werkneemster, op 20 januari 2012 in dienst getreden bij OnderwijsPost, is bij brief van 15 december 2015 op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft op 5 februari 2016 een verzoek strekkende tot vernietiging van het ontslag op staande voet bij de kantonrechter van deze rechtbank ingediend. Op 19 februari 2016 heeft OnderwijsPost een verweerschrift ingediend en daarbij tevens een tegenverzoek tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, een bedrag ter zake van de eindafrekening van de arbeidsovereenkomst, alsmede een boete. Na getuigenverhoor heeft de kantonrechter bij beschikking van 20 juni 2016 geoordeeld dat OnderwijsPost in haar bewijsopdracht is geslaagd. Het verzoek van werkneemster tot vernietiging van het ontslag op staande voet is afgewezen. Werkneemster is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.602,50 aan gefixeerde schadevergoeding en een bedrag van € 2.721,51 ter zake van de eindafrekening, met veroordeling van werkneemster in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Werkneemster vordert opheffing van de op 27 mei 2016 en 31 mei 2016 gelegde (derden)beslagen en schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van 20 juni 2016 voor de duur van het nog aanhangig te maken appel.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a jo. artikel 7:677 lid 2 BW dient de door OnderwijsPost bij wijze van tegenverzoek gevorderde gefixeerde schadevergoeding te worden ingediend binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Op basis van de wetgeschiedenis van de op 1 juli 2015 ingevoerde WWZ heeft er zich in de jurisprudentie en de literatuur een voldoende breed gedragen opvatting ontwikkeld dat de in artikel 7:686a lid 4 BW vermelde termijnen ambtshalve door de rechter dienen te worden getoetst. In de beschikking van 20 juni 2016 heeft de kantonrechter er echter geen blijk van gegeven dat ambtshalve is beoordeeld of de door OnderwijsPost ingestelde vordering uit hoofde van de gefixeerde schadevergoeding binnen de termijn van twee maanden is ingediend. Indien ambtshalve toetsing wel heeft plaatsgevonden, had dit in ieder geval tot het oordeel moeten leiden dat de termijn van artikel 7:686a lid 4 BW is overschreden. Immers, met het oordeel van de kantonrechter dat het op 15 december 2015 verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, is de arbeidsovereenkomst per die datum tot een einde gekomen en moest de vordering uit hoofde van gefixeerde schadevergoeding uiterlijk op 16 februari 2016 ingediend worden. Blijkens de tussenbeschikking van 4 april 2016 is dit echter pas op 19 februari 2016 gebeurd en dat is dus te laat. De door OnderwijsPost gevorderde gefixeerde schadevergoeding had dan ook afgewezen moeten worden. Nu dit niet is gedaan, is sprake van een kennelijke juridische misslag. Het voorgaande brengt mee dat de tenuitvoerlegging van de beschikking van 20 juni 2016 zal worden geschorst voor zover deze ziet op de veroordeling tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 5.602,50, een en ander totdat in hoger beroep een eindbeslissing is gegeven over de ontslagzaak en onder de voorwaarde dat werkneemster binnen twee weken na de datum van dit vonnis de appeldagvaarding uitbrengt. Het verhaal onder de gelegde beslagen, die op grond van de grosse van de beschikking van 20 juni 2016 inmiddels executoriale kracht hebben gekregen, zal worden beperkt tot verhaal voor de in die beschikking toegewezen bedragen van € 2.721,51 ter zake van de eindafrekening en € 900 aan proceskosten, te vermeerderen met de executiekosten als bedoeld in artikel 3:277 lid 1 BW.