Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Delfland
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 20 september 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:2667

werknemer/Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Delfland

Procesrecht. Vonnis heeft gezag van gewijsde gekregen. Werknemer heeft geen belang bij zijn incidentele vordering.

In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat werknemer met de appeldagvaarding niet heeft geappelleerd tegen het vonnis van 11 augustus 2014 in de procedure met rolnummer 1069232 CV EXPL 11-38154 (voorheen: 11-5372). Werknemer is door het hof in de gelegenheid gesteld te reageren op de stelling van Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Delfland (hierna: GGZ Delfland) dat het laatstgenoemd vonnis gezag van gewijsde heeft gekregen tussen werknemer en GGZ Delfland, zodat werknemer niet meer kan opkomen tegen de eindbeslissingen in dat vonnis. Het hof heeft werknemer bovendien in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten welk belang hij heeft bij zijn incidentele vordering om GGZ Delfland te veroordelen om werknemer toegang te verlenen tot zijn zakelijke e-mailberichten, indien wordt geoordeeld dat het vonnis ten opzichte van hem gezag van gewijsde heeft gekregen.

Het hof overweegt in het eindarrest als volgt. Artikel 236 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Werknemer is kennelijk van mening dat slechts de in het dictum vervatte beslissingen gezag van gewijsde krijgen, maar die opvatting is onjuist: het gezag van gewijsde strekt zich uit tot alle dragende overwegingen van een vonnis. Dat betekent dat alle overwegingen uit het eerste vonnis die dragend zijn voor de afwijzing van werknemers vorderingen tussen GGZ Delfland en werknemer gezag van gewijsde hebben gekregen. Werknemer heeft gesteld dat hij er geen belang bij had om van het eerste vonnis in hoger beroep te gaan, omdat hij in die procedure enkel verklaringen voor recht heeft gevorderd. Werknemer beschouwt de rechtsoverwegingen 6 t/m 13 als overwegingen ten overvloede, hetgeen zou meebrengen dat deze overwegingen geen gezag van gewijsde hebben gekregen. Indien de kantonrechter bij de beoordeling van de gevorderde verklaringen voor recht uitsluitend bepalend zou hebben geacht dat werknemer naar zijn oordeel bij deze vorderingen geen belang (in de zin van art. 3:303 BW) had, zou hij werknemer niet ontvankelijk hebben verklaard. In dat geval zouden de rechtsoverwegingen 6 t/m 13 zonder meer ten overvloede zijn geweest. De kantonrechter heeft de vorderingen echter afgewezen, hetgeen erop wijst dat de betreffende rechtsoverwegingen als dragende overwegingen zijn te beschouwen, omdat de vorderingen daarin inhoudelijk zijn beoordeeld. Voorts acht het hof van belang dat de kantonrechter in rechtsoverweging 5 heeft overwogen dat de daaropvolgende rechtsoverwegingen zien op een eventueel resterend deel van de vordering en dus niet op vorderingen die reeds zijn afgedaan in de rechtsoverwegingen 1 tot en met 4. De conclusie is dat de rechtsoverwegingen 6 tot en met 13 uit het eerste vonnis dragende overwegingen zijn, zodat GGZ Delfland zich terecht beroept op het gezag van gewijsde daarvan. Het vorenstaande betekent dat het hof in de onderhavige procedure tot uitgangspunt zal nemen dat werknemer heeft gefraudeerd op de in de rechtsoverwegingen 6 tot en met 13 van het eerste vonnis beschreven wijze en dat GGZ Delfland niet onrechtmatig en niet in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld door hem op staande voet te ontslaan. Werknemer heeft gesteld dat hij niettemin belang heeft bij dit incident omdat de rechtbank in de strafzaak tegen hem heeft bepaald dat de officier van justitie ervoor zal zorgdragen dat werknemer en zijn raadsman inzage krijgen in het zakelijke e-mailaccount van werknemer bij GGZ Delfland voor de periode van de tenlastelegging. Kennisname van deze documenten kan volgens werknemer een geheel ander licht op de zaak werpen en uitwijzen dat werknemer niet heeft gefraudeerd gedurende zijn dienstbetrekking bij GGZ Delfland. Naar het oordeel van het hof heeft werknemer onvoldoende belang bij toewijzing van de incidentele vordering. Werknemer heeft zelf toegelicht dat de officier van justitie in het kader van de strafzaak ervoor zal zorgdragen dat werknemer inzage krijgt in zijn zakelijke e-mailbestanden en in de logbestanden. Werknemer krijgt bovendien ook de mogelijkheid, na de inzage, relevante stukken in de strafzaak in te brengen. Het staat werknemer vrij – binnen de grenzen van het geldende procesreglement – de aldus verkregen stukken alsnog in deze hogerberoepprocedure over te leggen. Daarvoor is niet noodzakelijk dat de e-mailbestanden en het logbestand (nogmaals) door middel van een incident ex artikel 843a Rv bij GGZ Delfland worden opgevraagd.