Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer c.s./Typhoon Offshore B.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 18 oktober 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:6749

werknemer c.s./Typhoon Offshore B.V.

Postcontractuele verplichtingen uit het non-concurrentie- en relatiebeding gelden in casu uitsluitend indien werknemer de arbeidsovereenkomst opzegt. In de gegeven omstandigheden blijven de bedingen zonder betekenis. Uitleg bonusovereenkomst.

Drie werknemers (hierna: werknemers) zijn in 2009 in dienst getreden van Typhoon Capital B.V., de moedermaatschappij van Typhoon Offshore B.V. (hierna: Typhoon). Typhoon en werknemers hebben afspraken gemaakt over een bonus (hierna: de bonusovereenkomst). De bonus bestaat – kort gezegd – uit een percentage van de winst die Typhoon met het Gemini-project heeft gerealiseerd (hierna: de bonusgrondslag). Eén werknemer heeft aanspraak op 6% en twee van de drie hebben recht op 2% van de bonusgrondslag. Typhoon heeft in 2014 aan laatstgenoemde twee werknemers € 0,6 miljoen aan interim-bonus uitgekeerd. Werknemers hebben eind 2014 vaststellingsovereenkomsten getekend ter beëindiging van de dienstverbanden, waarin is vastgelegd dat werknemers in het kader van de bonusregeling gekwalificeerd worden als zogenoemde good leavers en de bonusregeling dus mitsdien in stand blijft. Twee van de drie werknemers hebben in september 2014 Amsterdam Capital Partners B.V. (hierna: Amscap) opgericht. Werknemers vorderen nakoming van de bonusovereenkomst. Typhoon vordert onder meer (partiële) vernietiging of wijziging van de vaststellingsovereenkomsten, daar zij niet op de hoogte was van de oprichting van Amscap. Werknemers hebben onder meer hun concurrentiebeding overtreden, mede waardoor zij niet (meer) als good leavers in de zin van de bonusovereenkomsten te beschouwen zijn, aldus Typhoon.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat in de bonusovereenkomst met werknemer 1 is vastgelegd dat hij aanspraak heeft op een bonus van 2% van ‘the net profits of Typhoon Capital and its direct and indirect subsidiaries’. Derhalve 2% van de nettowinst. De woorden ‘net profits’ kunnen naar het oordeel van de kantonrechter niet anders gedefinieerd worden als: de som geld die overblijft nadat alle kosten en belastingen zijn betaald. Daarbij is van belang dat het hier gaat om kosten (ontmantelingskosten en kosten voor verkregen intercompany financiering) en een fiscale verplichting (VPB 2014) die niet tot ieders verrassing als lijken uit de kast zijn gevallen, maar dat het financiële verplichtingen betreft waarvan werknemers ten tijde van het maken van de bonusafspraken als goed ingewijden reeds wisten dat die verplichtingen bestonden of in ieder geval zouden gaan ontstaan en in mindering zouden strekken op het uiteindelijke financieel resultaat van de financial close. Werknemer 1 kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij aanspraak heeft op een bonus die berekend dient te worden op basis van een bonusgrondslag van ruim € 41 miljoen, derhalve exclusief kosten en belastingen. De kantonrechter oordeelt evenwel dat Typhoon, op grond van de bonusovereenkomst, nog een bonus aan werknemers verschuldigd is.

Bij de beoordeling van het beroep van Typhoon op het gestelde bedrog door werknemer 2 dient betrokken te worden dat in zijn arbeidsovereenkomst is bepaald dat de postcontractuele verplichtingen uit het non-concurrentie- en relatiebeding uitsluitend gelden indien werknemer 2 de arbeidsovereenkomst met Typhoon opzegt. Dat betekent dat werknemer 2 na beëindiging van zijn dienstverband bij Typhoon, op een andere wijze dan door opzegging zijnerzijds, bij zijn activiteiten voor een nieuwe onderneming niet gehinderd werd door het non-concurrentie- en relatiebeding. Met andere woorden: het non-concurrentie- en relatiebeding van werknemer 2 waren in de gegeven omstandigheden zonder betekenis. Zonder nadere toelichting kan niet geconcludeerd worden dat indien Typhoon bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomsten wel van de gestelde activiteiten van werknemer 2 in verband met het oprichten van een eigen onderneming zou hebben geweten, zij hem vanwege die activiteiten – hoewel deze hem niet verboden werden door de bedingen in de arbeidsovereenkomst – in de vaststellingsovereenkomst niet als good leaver zou hebben beschouwd en zou hebben moeten beschouwen en dat zij de vaststellingsovereenkomst om die reden niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Volgt afwijzing van de vordering in reconventie.