Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 26 oktober 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:12889
werknemer/Cannock Chase Holding B.V.
CCP en enkele andere vennootschappen vormen samen de Cannock Chase Groep (hierna: CCG). Werknemer is Algemeen Directeur CCG. Op 9 juli 2013 heeft CCP een samenwerkingsovereenkomst gesloten met gerechtsdeurwaarder X te België, met het oog op incassoactiviteiten ter zake van parkeerboetes die door Nederlandse gemeenten zijn opgelegd aan Belgische kentekenhouders. Vanaf 2014 heeft DAS Legal Finance B.V. (hierna: DLF) 70% van de aandelen in CCH. Rond april 2015 heeft deurwaarder X, naar aanleiding van een controle van de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders te Brussel (hierna: NKGB), aan CCP verzocht om in een drietal dossiers documenten te antedateren. Aan dat verzoek is niet voldaan. Vervolgens heeft tussen CCP, in de persoon van werknemer, en de NKGB correspondentie plaatsgevonden. Sinds eind 2015 heeft CCP geen gebruik meer gemaakt van de diensten van deurwaarder X. Bij brief van 14 maart 2016 heeft de NKGB DLF geïnformeerd over het handelen van deurwaarder X en de volgens hen laconieke houding die werknemer hierin heeft aangenomen. Bij e-mailbericht van 17 maart 2016 heeft DLF werknemer bericht op korte termijn te willen spreken over het bericht van NKGB. Bij e-mailbericht van 13 juli 2016 (werknemer was toen op vakantie) is werknemer namens DLF uitgenodigd voor een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders (BAVA) van CCH. Tijdens de BAVA op maandag 25 juli 2016 is werknemer (nog steeds op vakantie), buiten aanwezigheid van een vertegenwoordiger ontslagen als statutair bestuurder van CCH in overeenstemming met de aandeelhoudersovereenkomst op grond van een dringende reden. CCH heeft op 30 augustus 2016 een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend ex artikel 7:671b BW. Werknemer heeft op 23 september 2016 een verzoek ingediend tot toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:682 lid 3 onderdeel a en b BW. Werknemer vordert in kort geding onder meer toelating tot zijn werkzaamheden als Algemeen Directeur van CCH en doorbetaling van zijn salaris.
De rechter oordeelt als volgt. Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of het besluit van de BAVA van 25 juli 2016, waarbij werknemer is ontslagen als statutair directeur van CCH wegens een dringende reden, rechtsgeldig is. Aan zijn vordering legt werknemer onder meer ten grondslag dat voor wat betreft het ontslag niet is voldaan aan het zogenoemde ‘onverwijldheidsvereiste’. Blijkens de ‘rationale’ is de dringende reden voor het ontslag van werknemer gelegen in diens handelwijze met betrekking tot de onregelmatigheden ten aanzien van de incassowerkzaamheden in België en de in dat kader gepleegde fraude door deurwaarder X. Op grond van de stukken moet ervan worden uitgegaan dat CCH daarvan op de hoogte raakte toen zij – via meerderheidsaandeelhouder DLF – kennis nam van een brief van de NKGB van 14 maart 2016. Volgens CCH is vervolgens een (intern) onderzoek ingesteld. Vervolgens is de kwestie op 25 mei 2016 voorgelegd aan de raad van bestuur van DAS Holding. Hierna is aan de RvC toestemming gevraagd voor het houden van een BAVA met het oog op het ontslag van werknemer, welke toestemming op 12 juli 2016 werd verleend. De hiervoor geschetste handelwijze van CCH kan niet als ‘onverwijld’ worden aangemerkt. Reeds op grond van het voorgaande moet in het (beperkte) bestek van deze procedure ervan worden uitgegaan dat de bodemrechter het ontslagbesluit van 25 juli 2016 niet in stand zal laten en dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds van kracht is. Daar komt – in feite ten overvloede – nog bij dat moet worden aangenomen dat het hoorrecht ex artikel 2:8 BW en het recht op een raadgevende stem ex artikel 2:227 lid 7 zijn geschonden. Werknemer is tijdens zijn vakantie in Amerika uitgenodigd voor de BAVA op maandag 25 juli 2016, zijnde de dag nadat hij van vakantie zou zijn teruggekeerd in Nederland. Werknemer heeft verzocht om uitstel teneinde zich beter te kunnen voorbereiden, maar dat verzoek is afgewezen. Gelet op de ingrijpende gevolgen die een ontslag wegens een dringende reden voor werknemer (persoonlijk) meebrengen, kan niet worden aangenomen dat werknemer een redelijke mogelijkheid is geboden om de onderhavige rechten behoorlijk uit te oefenen. Zonder deugdelijke verklaring – die naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet wordt gegeven – geeft het geen pas om werknemer – na een ‘radiostilte’ vanaf 20 mei 2016 – op 13 juli 2016 uit te nodigen voor een – voor hem zeer belangrijke – BAVA op de dag ná terugkomst in Nederland van een vakantie van vijf weken in het buitenland. Al het voorgaande betekent dat de loonvordering van werknemer zal worden toegewezen. De vordering tot toelating van werknemer tot zijn werkzaamheden zal echter worden afgewezen. Op grond van de thans voorhanden zijnde stukken moet worden aangenomen dat de kantonrechter binnen afzienbare tijd zal overgaan tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen.