Naar boven ↑

Rechtspraak

KLM-vliegers/De Staat der Nederlanden
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 25 oktober 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:2984

KLM-vliegers/De Staat der Nederlanden

Nederlandse Staat handelt niet onrechtmatig omdat Hoge Raad geen prejudiciële vragen heeft gesteld in KLM-vliegerszaak.

In deze procedure stelt een aantal verkeersvliegers van KLM de Staat aansprakelijk nadat zij eerder de procedure tegen KLM hebben verloren (zie HR 13 juli 2012, AR 2012-0662). Zij stellen zich op het standpunt dat de Staat jegens hen aansprakelijk is omdat, kort samengevat, de Hoge Raad in strijd met het Unierecht heeft nagelaten prejudiciële vagen te stellen respectievelijk zijn oordeel om dat niet te doen ontoereikend heeft gemotiveerd. Bovendien heeft de Staat in strijd met artikel 6 EVRM nagelaten om maatregelen te nemen tot ongedaanmaking van de desbetreffende cao-bepaling. De piloten vorderen een verklaring voor recht dat de Staat jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, alsmede een veroordeling tot vergoeding van schade, op te maken bij staat. De rechtbank heeft de vorderingen van de piloten afgewezen. Volgens de rechtbank levert het nalaten prejudiciële vragen te stellen niet een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht op. Ook deelt de rechtbank niet de opvatting van de piloten dat, indien de Hoge Raad prejudiciële vragen zou hebben gesteld, dit tot een uitspraak in het voordeel van de piloten zou hebben geleid. Voor wat de schending van artikel 6 EVRM aangaat overweegt de rechtbank dat het nalaten prejudiciële vragen te stellen niet meebrengt dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling.

Het hof oordeelt als volgt. Uit de cassatieklacht bij de Hoge Raad blijkt dat de piloten in cassatie niet de stelling hebben betrokken dat een gedwongen pensioenregeling bij een individuele werkgever als KLM nimmer een legitiem doel kan dienen. Zij hebben slechts de stelling verdedigd dat dit uitsluitend kan (1) indien het doel samenvalt met nationaal overheidsbeleid, althans (2) indien voldaan is aan bijzondere, door de werkgever te stellen en te bewijzen omstandigheden. Dit betekent dat er voor de Hoge Raad, die gebonden is aan de klachten die in het middel worden voorgedragen, geen aanleiding en ook geen ruimte was om de vraag onder ogen te zien of een gedwongen pensioenontslag bij een individuele werkgever een legitiem doel kon dienen. Voor prejudiciële vragen ten aanzien van dit punt was dan ook reeds om deze reden geen aanleiding. De klacht dat een legitiem doel een doel van nationaal overheidsbeleid dient te zijn heeft de Hoge Raad verworpen (onder 5.3). De Hoge Raad overwoog dat uit de jurisprudentie van het HvJ EU wel volgt dat een legitieme doelstelling het karakter van een algemeen belang moet hebben, maar niet ook dat dit een doel van nationaal overheidsbeleid moet zijn. Volgens de Hoge Raad had het hof vastgesteld dat met het leeftijdsontslag een dergelijk algemeen belang werd nagestreefd en dat dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend was gemotiveerd. De vraag is aldus of de Hoge Raad aanleiding had behoren te zien om aan het HvJ EU de vraag voor te leggen, of een algemeen belang dat niet ook nationaal overheidsbeleid is, een legitiem doel kan zijn. Het hof is van oordeel dat de Hoge Raad tot een dergelijke vraagstelling niet gehouden was. Het HvJ EU toetst telkens of sprake is van een algemeen belang, hetgeen de Hoge Raad ook heeft gedaan. Uit de arresten Palacios de la Villa (HvJ EU 12 oktober 2007, C-411/05) en Rosenbladt (HvJ EU 12 oktober 2010, C-45/09), waarnaar de Hoge Raad verwijst, volgt dat doelstellingen van algemeen belang niet slechts door de overheid, maar ook door de sociale partners kunnen worden nagestreefd en dat daarbij aan de sociale partners een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij zowel de beslissing welke doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid zij willen nastreven, als bij het bepalen van de maatregelen waarmee deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom een dergelijk algemeen belang tevens zou moeten corresponderen met beleid van de nationale overheid. Dat zou moeilijk in overeenstemming te brengen zijn met de vrijheid die het HvJ EU aan de sociale partners laat. Daarbij moet worden opgemerkt dat artikel 6 Richtlijn weliswaar bepaalt dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij ‘in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd’, maar dat dit niet wil zeggen dat dergelijke belangen in nationale wetgeving moeten zijn vastgelegd. Uit bijvoorbeeld de zaak Rosenbladt, die ging over een bedrijfstak-cao, alsmede uit de rol die in de rechtspraak van het HvJ EU is weggelegd voor de sociale partners, blijkt het tegendeel. De piloten hebben nog gewezen op het arrest HvJ EU 13 september 2011, C-447/09 (Prigge). Het beroep op dat arrest gaat echter niet op, aangezien het pensioenontslag in die zaak als doel had het bevorderen van de veiligheid van het luchtverkeer. De piloten beroepen zich nog op de conclusie van A-G Mengozzi voor dat arrest, maar de Hoge Raad was geenszins gehouden de opvatting van de A-G te volgen of zijn oordeel dienaangaande te motiveren. Ook echter indien op de Hoge Raad een verplichting rustte om prejudiciële vragen over dit punt te stellen, is niet voldaan aan het vereiste dat sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het EU-recht. De schending van het EU-recht is daarvoor immers niet ernstig genoeg. Het is (in beginsel) aan de nationale rechterlijke instantie om te beoordelen of de juiste toepassing van het Unierecht zodanig voor de hand ligt dat geen redelijke twijfel mogelijk is en zij er derhalve van kan afzien een prejudiciële vraag aan het HvJ EU te stellen (HvJ EU 9 september 2015, C-160/14). Dit betekent dat de rechter, ook de rechter van wiens uitspraken geen beroep openstaat, een zekere beoordelingsvrijheid heeft bij de beoordeling of het stellen van een prejudiciële vraag in een specifiek geval nodig is. In dit geval gaf en geeft de rechtspraak van het HvJ EU geen aanleiding voor de veronderstelling dat niet alleen voldaan moet zijn aan het vereiste algemene belang, maar ook nog dat dat algemene belang een zaak van nationaal overheidsbeleid dient te zijn. Niet kan aldus worden gezegd dat de Hoge Raad artikel 267 lid 3 VWEU heeft geschonden, laat staan kennelijk geschonden.

De piloten stellen zich op het standpunt dat hun advocaat in de brief waarin deze reageerde op de conclusie van de advocaat-generaal heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen. De Hoge Raad had dan ook zijn (impliciete) beslissing om geen prejudiciële vragen te stellen moeten motiveren aan de hand van de gevallen waarin op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU (onder andere in het Cilfit-arrest), in afwijking van artikel 267 lid 3 VWEU, geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld. In het Cilfit-arrest zijn de volgende gevallen onderscheiden: (1) de opgeworpen vraag is niet relevant voor de beoordeling van het geschil, (2) de desbetreffende vraag is reeds door het HvJ EU uitgelegd (acte éclairé), (3) de juiste toepassing van het EU-recht is zo evident dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan (acte claire). Nu de Hoge Raad, ondanks dit verzoek, heeft nagelaten zijn beslissing te motiveren heeft de Hoge Raad in strijd gehandeld met artikel 6 EVRM en is de Staat volgens de piloten jegens hen op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk. De Staat betwist dat de piloten een verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen te stellen tot de Hoge Raad hebben gericht en stelt zich overigens op het standpunt dat de motivering voldoende duidelijk uit het arrest van de Hoge Raad volgt. Ook houdt volgens de Staat een eventuele schending van het motiveringsbeginsel op dit punt geen onrechtmatige daad in. Het hof is met de piloten van oordeel dat ten aanzien van het onderhavige verwijt (schending van art. 6 EVRM), het Köbler-criterium moet worden toegepast. Op grond van artikel 6 lid 3 van het verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) maken de grondrechten, zoals zij onder meer worden gewaarborgd door het EVRM, als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie. Bovendien correspondeert artikel 6 EVRM met artikel 47 Handvest. Op grond van artikel 6 lid 1 VEU erkent de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest. Daar komt in dit geval bij dat het verwijt van de piloten inhoudt dat de Hoge Raad ten onrechte zijn beslissing om artikel 267 lid 3 VWEU niet toe te passen niet heeft gemotiveerd. Tegen deze achtergrond moet dit verwijt worden beoordeeld aan de hand van het Köbler-criterium. De vraag is dan ook of in dit geval sprake is van een voldoende ernstige, kennelijke schending van artikel 6 EVRM. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. In het arrest van de Hoge Raad wordt met velerlei verwijzingen naar de rechtspraak van het HvJ EU uiteengezet waarom op grond van die jurisprudentie het cassatieberoep van de piloten moet worden verworpen. Het is uit dat arrest dan ook volkomen duidelijk dat de Hoge Raad van oordeel was dat hij de aan hem voorgelegde vragen kon beslissen aan de hand van de bestaande jurisprudentie van het HvJ EU. Ook voor de piloten moet duidelijk zijn geweest dat de Hoge Raad om die reden geen aanleiding zag prejudiciële vragen te stellen. De eisen die artikel 6 EVRM aan de motivering van een rechterlijke uitspraak stelt gaan niet zo ver dat de Hoge Raad in dit geval expliciet had moeten overwegen dat hij geen aanleiding zag om prejudiciële vragen te stellen omdat de rechtspraak van het HvJ EU voldoende duidelijk is. Een dergelijke overweging zou inhoudelijk niets aan de motivering van het arrest van de Hoge Raad hebben toegevoegd. Van een schending van artikel 6 EVRM is dan ook geen sprake. In ieder geval is geen sprake van een voldoende gekwalificeerde, kennelijke schending van artikel 6 EVRM.