Naar boven ↑

Rechtspraak

Correcto II VOF/werknemer
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17 oktober 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:7316

Correcto II VOF/werknemer

Geschil omtrent loon conform CAO voor het Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf, eindejaarsuitkering en correcte eindafrekening. Bewijsopdracht aan werknemer en werkgever. Aanhouding zaak.

Werknemer is per 1 juli 2014 als schoonmaker in dienst van B getreden, welk dienstverband vanaf 1 oktober 2014 (stilzwijgend) door Correcto is voortgezet. En is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgemaakt. Werknemer werkte een wisselend aantal uren per maand. Het overeengekomen loon bedroeg € 10 bruto per uur. Het betrof een dienstverband voor de duur van 12 maanden. De CAO voor het Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf, die algemeen verbindend is verklaard van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016, is op het dienstverband van toepassing. Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij conform de cao recht heeft op een uurloon van € 10,91 bruto. Correcto heeft derhalve steeds te weinig betaald, hetgeen dient te worden rechtgezet. Daarnaast stelt werknemer dat hij recht heeft op een eindejaarsuitkering, loon over de maand juni 2015 en een correcte eindafrekening van het dienstverband. Correcto vordert in oppositie (zo begrijpt de kantonrechter) vernietiging van het verstekvonnis van 22 januari 2016, waarbij de bovenstaande vorderingen zijn toegewezen, en opnieuw rechtdoende de vorderingen van werknemer alsnog af te wijzen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In het geschil over het uurloon komt het gelet op de tekst van de bewuste bepaling in de cao neer op de vraag of werknemer al dan niet binnen zes maanden voorafgaand aan de indiensttreding bij (de rechtsvoorganger van) Correcto in de schoonmaakbranche werkzaamheden heeft verricht. Gelet op zijn stellingen dient werknemer meer specifiek te bewijzen dat hij tussen 1 januari en 1 juli 2014 (regulier) als schoonmaker heeft gewerkt. Werknemer heeft salarisspecificaties ingebracht die betrekking hebben op de maanden maart 2012, januari 2013 en augustus 2014. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 14 lid 8 cao, nu geen salarisspecificaties zijn overgelegd van de maanden tussen 1 januari 2014 en 1 juli 2014. Werknemer heeft verklaard toen wel als schoonmaker werkzaam te zijn geweest en heeft daarvan bewijs aangeboden. Werknemer zal tot dit bewijs worden toegelaten.

Over het loon over de maanden mei en juni 2015 wordt geoordeeld dat het aan Correcto is om te bewijzen dat werknemer eind april 2015 uitdrukkelijk heeft verzocht hem niet meer op te roepen en dat hij in de maanden mei en juni 2015 dus ook geen werkzaamheden voor Correcto heeft verricht. De kantonrechter merkt daarbij voor de goede orde op dat als alleen komt vast te staan dat werknemer in mei en juni 2015 geen werkzaamheden voor Correcto heeft verricht, dat op zich niet voldoende is voor het verlies van zijn recht op loon over die twee maanden in 2015. Onder verwijzing naar artikel 7:610b BW kan zo nodig het aantal uren per maand dan worden bepaald aan de hand van het gemiddelde over de maanden februari-april 2015. De hoogte van de eindejaarsuitkering is afhankelijk van de hoogte van het (uur)loon en kan derhalve thans nog niet worden vastgesteld. Indien de betaling op 2 juni 2015 als eindafrekening dient te worden bestempeld, is niet duidelijk op welke wijze Correcto tot het bedrag van € 1.350 netto komt. Een inzichtelijke eindafrekening is niet voor handen en de door Correcto genoemde bedragen leiden niet tot dit bedrag. In elk geval heeft werknemer recht op uitbetaling van het vakantiegeld ad 8% over de periode juli 2014-juli 2015 en op de vakantieopbouw van 10% over dezelfde periode. De daarmee gepaard gaande bedragen kunnen echter eerst na de eventuele herberekening van het uurloon en de bewijslevering over de maanden mei en juni 2015 worden bepaald. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.