Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 4 oktober 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:2823
werknemer/De Jong’s Timmerfabriek Bergambacht B.V.
Werknemer is op 4 juli 1988 in dienst getreden bij De Jong. Laatstelijk was hij daar werkzaam in de functie medewerker opsluitbank. Bij beslissing van 19 augustus 2013 heeft het UWV De Jong toestemming verleend om werknemer te mogen ontslaan wegens bedrijfseconomische redenen. De arbeidsovereenkomst met werknemer is opgezegd tegen 1 december 2013. Werknemer stelt zich op het standpunt dat dit ontslag kennelijk onredelijk is, primair omdat De Jong het afspiegelingsbeginsel onjuist heeft toegepast, en subsidiair omdat, alle omstandigheden in aanmerking nemend, de gevolgen van het ontslag voor werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van De Jong bij de opzegging. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen. Werknemer is hiervan in hoger beroep gekomen.
Het hof oordeelt als volgt. Grief 1 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat vast staat dat De Jong werknemer heeft moeten ontslaan vanwege ernstige bedrijfseconomische problemen. Het hof merkt allereerst op dat het deze grief aldus begrijpt, dat werknemer hiermee een extra grondslag (de valse of voorgewende reden) aan zijn vorderingen toevoegt. De grief kan echter niet slagen. Op basis van de door De Jong overgelegde financiële gegevens heeft het UWV geoordeeld dat De Jong in redelijkheid het besluit heeft kunnen nemen om voor tien werknemers een ontslagaanvraag in te dienen. Bij het nemen van zijn beslissing heeft het UWV rekening gehouden met het gemotiveerde verweer dat door de FNV namens enkele werknemers, waaronder werknemer, tegen de ontslagaanvraag was gevoerd. Dit verweer omvatte mede de argumenten die werknemer thans in hoger beroep aanvoert. Nu werknemer niet heeft gesteld noch anderszins is gebleken dat De Jong bij zijn ontslagaanvraag aan het UWV gebruik heeft gemaakt van valse of voorgewende financiële gegevens, is van een kennelijk onredelijk ontslag op dit punt geen sprake. Het hof voegt hieraan nog toe dat de stelling van werknemer dat er sprake zou zijn geweest van een verrijking van de bestuurders van De Jong door het uitkeren van hoge management fee’s, bezoldigingen en dividend, door De Jong gemotiveerd en met kracht is weersproken. Dat hiervan sprake is geweest acht het hof geenszins aannemelijk geworden, werknemer stelt ter zake ook niets dan wel te weinig.
Grief 2 richt zich tegen de verwerping door de kantonrechter van de stelling van werknemer dat De Jong het afspiegelingsbeginsel niet correct heeft toegepast. Vast staat dat werknemer ten tijde van de ontslagaanvraag werkzaam was als bediener opsluitbank en dat hij samenwerkte met zijn collega’s X en Y. Bij de ontslagaanvraag heeft De Jong aangevoerd dat werknemer en zijn collega X de functie hadden van bediener opsluitbank, en dat Y de functie had van bediener opsluitbank allround. Dit verschil in functies heeft ertoe geleid dat werknemer volgens het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking kwam. Werknemer betwist gemotiveerd dat hij andere werkzaamheden uitvoerde dan Y, en dat er daadwerkelijk sprake was van verschillende functies. De functie bediener opsluitbank ‘allround’ bestond volgens werknemer niet en is pas gecreëerd in het kader van de ontslagaanvraag. De Jong heeft een en ander gemotiveerd betwist. Nu werknemer in hoger beroep gespecificeerd bewijs heeft aangeboden van de door hem feitelijk voor De Jong uitgevoerde werkzaamheden en de daarmee gepaard gaande kennis en kunde, zal het hof hem toelaten tot bewijslevering op dit punt. Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er, alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking nemend, niet geconcludeerd kan worden dat de gevolgen van de opzegging voor werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van De Jong bij de opzegging. Het hof houdt de beslissing op grief 3 aan tot na de bewijslevering.