Naar boven ↑

Rechtspraak

De Lange/Staatssecretaris van Financiën Nederland
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 november 2016
ECLI:EU:C:2016:850

De Lange/Staatssecretaris van Financiën Nederland

Fiscale regeling volledige scholingsaftrek tot 30 jaar en forfaitair vanaf 30 jaar is niet in strijd met gelijke behandeling op grond van leeftijd.

In 2008 is De Lange, die toen 32 jaar was, een opleiding tot verkeersvlieger gestart. In zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2009 voerde hij een persoonsgebonden aftrek van € 44.057 aan scholingsuitgaven in verband met deze opleiding op. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat ingevolge de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling personen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, de scholingsuitgaven onder bepaalde voorwaarden volledig op het belastbare inkomen in aftrek mogen brengen. Voor personen die deze leeftijd hebben bereikt, is dat recht op aftrek daarentegen beperkt tot maximaal € 15.000. De Nederlandse Belastingdienst heeft aldus op grond van artikel 6.30 van de Wet inkomstenbelasting aan de belanghebbende een forfaitaire aftrek van slechts € 15.000 toegekend. De verwijzende rechter vraagt zich af of Richtlijn 2000/78 en het non-discriminatiebeginsel op grond van leeftijd, van toepassing zijn op een belastingregeling inzake de aftrek van studiekosten. In voorkomend geval vraagt de verwijzende rechter zich af of het door een dergelijke regeling gecreëerde verschil in behandeling, dat erin bestaat dat er, met name op basis van het leeftijdscriterium, al dan niet recht op volledige aftrek wordt toegekend, gerechtvaardigd kan worden.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Artikel 6.30 Wet IB is bedoeld om jongeren een sterke(re) positie op de arbeidsmarkt te geven door hen fiscaalvriendelijk in staat te stellen te studeren naast werk. Zo bezien vormt deze fiscale regeling onderdeel van het materiële bereik van de richtlijn. Gelezen in het licht van artikel 16 onderdeel a van Richtlijn 2000/78, volgens hetwelk de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om er zorg voor te dragen dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling, worden afgeschaft, moet artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze richtlijn aldus worden begrepen dat het mede betrekking heeft op een fiscale bepaling zoals aan de orde in het hoofdgeding, die is vastgesteld teneinde de toegang van jongeren tot een opleiding te bevorderen en bijgevolg hun positie op de arbeidsmarkt te versterken (zie naar analogie arrest van 21 juli 2005, C-207/04, ECLI:EU:C:2005:495, punt 26 (Vergani)).

Voor het antwoord op de vraag of de regeling in strijd is met artikel 6 van de richtlijn, oordeelt het Hof aldus. Het middel is passend om het doel van toetreding tot de arbeidsmarkt te bevorderen te realiseren. Wat de noodzakelijkheid betreft, merkt de Nederlandse regering op dat hoewel de regeling alleen aan personen onder 30 jaar het recht voorbehoudt om de volledige scholingsuitgaven van hun belastbare inkomen in aftrek te brengen, personen boven 30 jaar door deze regeling niet bovenmatig worden benadeeld. Laatstgenoemden hebben elk jaar recht op een aftrek van de scholingsuitgaven tot een bedrag van € 15.000, onafhankelijk van de vraag of de gemaakte kosten een eerste studie of een vervolgstudie betreffen. De Nederlandse regering voegt hieraan toe dat een dergelijk recht op aftrek niet in de tijd begrensd is, terwijl de mogelijkheid voor personen onder 30 jaar om het geheel van hun scholingskosten in aftrek te brengen, beperkt is in de tijd tot een standaardstudieperiode van 16 kalenderkwartalen. De regering benadrukt ten slotte dat de kosten van een opleiding gemiddeld € 15.000 per jaar zijn. Wat ten slotte de vraag betreft of het gerechtvaardigd is om personen boven 30 jaar uit te sluiten van het recht om de volledige scholingsuitgaven in aftrek te brengen, voert de Nederlandse regering aan dat deze personen doorgaans al de gelegenheid hebben gehad om een opleiding te volgen en een beroepsactiviteit uit te oefenen, zodat zij zich financieel in een betere positie bevinden dan schoolverlaters, en in staat zijn om ten minste gedeeltelijk de financiële lasten van een nieuwe opleiding te dragen. Rekening gehouden met de ruime beoordelingsmarge die de lidstaten en sociale partners op het gebied van sociaal en werkgelegenheidsbeleid toekomt, blijkt niet dat een lidstaat die een belastingregeling zoals aan de orde in het hoofdgeding vaststelt, verder gaat dan noodzakelijk is om het doel dat erin bestaat de positie van jongeren op de arbeidsmarkt te versterken, te bereiken. Gelet op het voorgaande dient op de derde en de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een belastingregeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan personen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, onder bepaalde voorwaarden de scholingsuitgaven volledig op hun belastbare inkomen in aftrek kunnen brengen, terwijl dit recht op aftrek beperkt is voor personen die deze leeftijd reeds hebben bereikt, voor zover ten eerste die regeling objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel op het gebied van werkgelegenheids‑ en arbeidsmarktbeleid, en ten tweede de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.