Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 28 oktober 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:8664
werkneemster/Ambiq
(Hoger beroep AR 2015-1216.) Werkneemster is sinds 1 april 2010 werkzaam bij Ambiq als cliëntenbegeleider/mentor van kinderen en (jong)volwassenen met een licht verstandelijke beperking. Werkneemster was hecht bevriend met haar collega, de heer B (hierna: B). Op 25 mei 2014, tijdens het bevallingsverlof van werkneemster, is B op bezoek geweest bij werkneemster met een aan hem toevertrouwde minderjarige, vrouwelijke pupil. In juni 2014 is werkneemster ter ore gekomen dat B tijdens een kamp in dezelfde tent heeft geslapen als deze pupil. Collega’s hebben dit aan Ambiq gemeld en B is hiervoor berispt. B is wel mentor gebleven van de minderjarige. Op 21 november 2014 is door de echtgenote van B aan werkneemster medegedeeld dat B op non-actief is gesteld door Ambiq, omdat hij een seksuele relatie zou hebben met de meerderjarige zus van zijn pupil en/of met pupil. Werkneemster heeft zich vervolgens ziek gemeld bij Ambiq en medegedeeld aan Ambiq wat er is gebeurd. B heeft in de avond van 21 november contact gezocht met werkneemster, waarbij hij heeft medegedeeld suïcidegedachten te hebben en geen melding wilde doen bij Ambiq van het seksueel misbruik. Werkneemster heeft hem overtuigd deze melding toch te doen en hem begeleid naar Ambiq op 24 november 2014. Naar aanleiding van dit gesprek wordt op 25 november 2015 een gesprek aangegaan met werkneemster. Ambiq verwijt werkneemster dat B met zijn pupil op bezoek is geweest bij werkneemster; werkneemster had dit moeten melden. Werkneemster geeft aan dat zij zich niet vertrouwd voelt, zij voelt zich op het matje geroepen terwijl B over de schreef is gegaan. Bij brief van 9 december 2014 vraagt werkneemster of Ambiq al aangifte heeft gedaan, als Ambiq zich daarover niet uitlaat geeft werkneemster aan dat dit de plicht is van Ambiq. Ambiq geeft daarop aan dat zij niet de indruk hebben dat werkneemster onvoorwaardelijk vertrouwen heeft in Ambiq. Ondertussen verschijnen er in de media artikelen over het ontucht, waarbij ook geruchten rondgaan over werkneemster. In maart 2015 wordt bij werkneemster PTSS vastgesteld. Bij brief van 31 augustus 2015 schrijft Ambiq aan werkneemster dat zij dient te re-integreren, op straffe van het stopzetten van haar loon. Bij brief van 18 augustus 2015 meldt de behandelaar van werkneemster dat de continuering van de arbeidsrelatie de genezing in de weg staat. Ambiq zet vervolgens het loon stop. Werkneemster heeft vervolgens ingevolge artikel 7:671c lid 1 BW de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met Ambiq te ontbinden. De kantonrechter heeft aan werkneemster een billijke vergoeding toegekend van € 5.000. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. In hoger beroep geldt als uitgangspunt dat de ziekmelding van werkneemster in november 2014 en de posttraumatische stressstoornis die zij stelt te hebben ontwikkeld het gevolg zijn van de confrontatie van werkneemster met het wangedrag van haar collega B – deze had een seksuele relatie met de meerderjarige zus van zijn pupil en met de minderjarige pupil zelf – en de bedreiging die B jegens haar heeft geuit. Volgens werkneemster heeft Ambiq ernstig verwijtbaar gehandeld door onvoldoende maatregelen jegens B te nemen, de brieven van werkneemster niet serieus te nemen, haar PTSS-toestand niet serieus te nemen en te pushen op werkhervatting, geen rectificaties heeft afgedwongen toen werkneemster in de pers in verband werd gebracht met de ontuchtzaak.
Met betrekking tot de eventuele onjuiste informatie, oordeelt het hof dat Ambiq juist heeft gehandeld en niet meer had kunnen doen ten tijde van het persbericht. Wat de andere gronden betreft wordt werkneemster toegelaten nader bewijs te leveren van (a) tijdige melding dat B een (seksuele) relatie had met de pupil en (b) de vermeende schending van re-integratiewerkzaamheden van werkneemster.