Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 8 november 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:8955
USG People The Netherlands BV/werknemer
Werknemer is in 2007 in dienst getreden bij USG People The Netherlands BV (hierna: USG), in de functie van financieel directeur. In zijn arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Op 15 maart 2016 heeft werknemer USG op de hoogte gesteld van een aanbod aan hem van Olympia Nederland B.V. (hierna: Olympia) om daar in dienst te treden als CFO. USG heeft werknemer medegedeeld dat USG werknemer onverkort aan het concurrentiebeding wil houden. Op 31 maart 2016 heeft werknemer schriftelijk opgezegd bij USG. Werknemer vordert primair een verklaring voor recht dat hij het concurrentiebeding niet overtreedt door in dienst te treden bij Olympia. Subsidiair vordert hij schorsing van het concurrentiebeding. De voorzieningenrechter heeft de duur van het concurrentiebeding met ingang van 1 december 2016 geschorst. Tegen dit vonnis komt USG in hoger beroep. Werknemer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een wezenlijk belang heeft bij een overstap naar Olympia. Hij zal daar een aanzienlijk hoger salaris (vast en variabel) ontvangen en krijgt de mogelijkheid om voor maximaal 1% te participeren in Olympia. Voorts is duidelijk dat werknemer er met de door hem beoogde overstap ook vakinhoudelijk in aanzienlijke mate op vooruit gaat doordat hij bij Olympia als CFO een bestuursfunctie zal krijgen, terwijl hij bij USG een directiefunctie had bij een van de star brands van USG. In die functie kon hij in het verleden rapporteren aan de raad van bestuur. Door de recente invoering van de landenstructuur binnen USG is er tussen de directies van de star brands en de raad van bestuur van USG een nieuwe managementlaag geschoven, de Country Directie, waardoor werknemer nog verder van het bestuurlijk niveau binnen USG af kwam te staan. Als Financieel Directeur van Unique diende hij in deze nieuwe structuur aan de Country Directie te rapporteren en niet meer aan de raad van bestuur. De functie van CFO bij Olympia maakt dat werknemer niet alleen op financieel gebied de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid zal krijgen, maar ook medeverantwoordelijk zal worden voor het strategisch beleid van Olympia. Een dergelijke doorgroei of een andere wezenlijke positieverbetering is voor werknemer bij USG de facto, gelet op het feit dat functies met doorgroeimogelijkheden recentelijk aan anderen zijn vergeven, voorlopig niet mogelijk. USG heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat Olympia op de Nederlandse uitzendmarkt met USG concurreert, in ieder geval ten aanzien van bepaalde categorieën personeel. Het hof trekt uit hetgeen partijen hierover naar voren hebben gebracht echter ook de conclusie dat Olympia om meerdere redenen niet kan worden beschouwd als een grote en overwegend directe concurrent van USG. In de eerste plaats is USG vele malen groter dan Olympia, de omzet van USG is ruwweg acht keer groter dan die van Olympia. Bovendien opereert USG op de internationale markt en Olympia alleen op de Nederlandse markt. Werknemer beschikte als Financieel Directeur van Unique over specifieke kennis op het terrein van kostprijzen, rendement en indirecte kosten. Dergelijke kennis en informatie is concurrentiegevoelig, maar veroudert ook in een snel veranderende markt als de uitzendmarkt. Het feit dat USG tweemaal per jaar de standaardkostprijsfactor bepaalt, laat dat zien en heeft tot gevolg dat werknemers kennis op dat terrein betrekkelijk snel zal verouderen. Juist omdat die kostprijs maar uit enkele vaste elementen bestaat en de hoogte van de andere elementen wordt bepaald op basis van nadere analyse, die moet aansluiten bij de ontwikkelingen in de markt, zal de relevantie van de kennis van werknemer betrekkelijk snel verouderen. Bovendien heeft USG de stelling van werknemer dat deze markt op het vlak van prijsstelling onder druk staat en transparant is, waardoor veel kennis van openbare aard is of bekend bij specialisten, onvoldoende weerlegd. Kennis over sectorindeling, fiscale aspecten en procesoptimalisatie is op zichzelf bezien belangrijke kennis, maar kan niet worden beschouwd als specifieke, bedrijfsgevoelige kennis die thuishoort in deze belangenafweging. Deze kennis behoort immers tot het repertoire van managers in de uitzendbranche die op hetzelfde niveau werken als werknemer bij USG en die daarvoor bovendien ook nog specialisten kunnen inhuren. Ten slotte overweegt het hof dat werknemer heeft gesteld dat zeven collega’s die bij USG op een vergelijkbaar functieniveau werkten in het (recente) verleden met matiging of terzijdestelling van het concurrentiebeding mochten vertrekken, ook naar andere uitzendorganisaties. Doordat USG deze stelling van werknemer maar zeer ten dele heeft betwist, moet het ervoor worden gehouden dat USG in vergelijkbare gevallen andere maatstaven heeft gehanteerd en kennelijk minder zwaar tilde aan integrale handhaving van het concurrentiebeding. USG kan daar gegronde redenen voor hebben gehad, bijvoorbeeld doordat zij bij die medewerkers het initiatief heeft genomen om te komen tot beëindiging van de arbeidsrelatie, maar dat laat onverlet dat de aantasting van haar bedrijfsdebiet voor USG geen beletsel vormde om deze medewerkers met een vergelijkbare positie als werknemer toch te ontheffen uit hun verplichtingen uit het concurrentiebeding. Op grond van de hiervoor genoemde belangen van werknemer enerzijds en USG anderzijds is handhaving van het concurrentiebeding voor de volle duur van 12 maanden onder de omstandigheden van dit geval voor werknemer onredelijk bezwarend. De voorzieningenrechter heeft om die reden op juiste gronden de duur van dit beding met ingang van 1 december 2016 geschorst.