Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 5 december 2016
ECLI:NL:RBLIM:2016:10510
werknemer/Mens & Water B.V.
Werknemer is op 22 april 2013 bij Mens & Water in dienst getreden in de functie van legionella-adviseur tegen een loon van € 3.623,55 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. Werknemer raakt op 4 augustus 2014 – eerst gedeeltelijk en daarna volledig – arbeidsongeschikt. De arbeidsverhouding tussen partijen is inmiddels verslechterd en er is sprake van een conflictsituatie. Er volgt overleg tussen partijen, hetgeen resulteert in een door beide partijen op 14 april 2015 ondertekende vaststellingsovereenkomst. Werknemer blijft arbeidsongeschikt, herstel is niet in zicht en er wordt een WIA-aanvraag ingediend. Werknemer ontvangt deze WIA-uitkering per 1 augustus 2016 en per die datum vervalt de loonbetalingsverplichting van Mens & Water. Werknemer verzoekt Mens & Water om tot uitbetaling over te gaan van verlofdagen en vakantiedagen. Mens & Water deelt werknemer op 31 augustus 2016 mee dat verlof- en vakantiedagen in mei 2017 zullen worden uitbetaald. Werknemer verzoekt onder meer de tussen haar en Mens & Water bestaande arbeidsovereenkomst per 1 november 2016 te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW onder toekenning van een transitievergoeding (€ 4.458) en billijke vergoeding (€ 39.600).
De kanontrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat per 4 augustus 2016 de ziekteperiode van twee jaar is verstreken en dat werknemer recht heeft op een WIA-uitkering. De loonbetalingsverplichting van Mens & Water is daarmee komen te vervallen. Er is thans nog enkel sprake van een papieren dienstverband. Het slapend laten voortbestaan van een arbeidsovereenkomst om op die manier te ontkomen aan het betalen aan werknemer van een transitievergoeding acht de kantonrechter – gezien de thans heersende jurisprudentie – rechtens niet ongeoorloofd. Rijst de vraag of er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, een en ander zoals bedoeld in artikel 7:671c BW. De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zoals dit door werknemer is gedaan moet worden afgewezen. De omstandigheden waarop werknemer zich beroept zijn gelegen in het verleden, althans vóór augustus 2016. Partijen zijn momenteel niet meer aan elkaar gebonden en behoeven – ondanks of dankzij het slapend dienstverband – op geen enkele manier meer met elkaar in contact te treden. Werknemer heeft naar het oordeel van de kantonrechter geen nadere omstandigheden aangevoerd die op dit moment de onmiddellijke ontbinding dan wel een ontbinding op korte termijn rechtvaardigen. Aan een inhoudelijke bespreking van de verwijten die werknemer aan het adres van Mens & Water maakt, komt de kantonrechter dan ook niet toe. Nu het ontbindingsverzoek wordt afgewezen, is er voor toewijzing van de transitievergoeding en billijke vergoeding geen plaats. Evenmin kan er rechtens een eindafrekening in de zin van verlofdagen en vakantiegeld worden afgedwongen, nu de arbeidsovereenkomst – zij het slapend – in stand blijft. Geheel terzijde wordt het navolgende overwogen. Mocht aan het verzoek tot ontbinding van werknemer enig financieel belang ten grondslag liggen, dan oordeelt de kantonrechter dat ook die omstandigheid niet tot spoedige ontbinding kan leiden. Een dergelijk belang kan immers ook door werknemer worden verkregen langs de weg van opzegging van de arbeidsovereenkomst.