Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 13 december 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:3548
ARS Traffic & Transport Technology BV c.s./werknemer
Werknemer is in 2000 in dienst getreden bij ARS Traffic & Transport Technology BV (hierna: ARS T&TT). Bij overeenkomst van 31 januari 2001 heeft ARS aan werknemer opties op certificaten toegekend. De arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter per 1 mei 2013 ontbonden. Werknemer vordert in de eerste procedure dat ARS T&TT en Beryl BV (gezamenlijk: ARS T&TT c.s.) worden veroordeeld om hem 1840 certificaten te leveren tegen een koopprijs van € 109,30 per certificaat. De kantonrechter heeft deze vordering deels toegewezen. In de tweede procedure vordert werknemer dat de door hem gekochte certificaten worden teruggekocht door ARS T&TT, vanwege het feit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd. Daarnaast meent hij aanspraak te maken op winstdeling over de jaren vanaf 2007. De kantonrechter heeft deze vorderingen van werknemer toegewezen. ARS T&TT c.s. komen tegen beide vonnissen in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Eerst wordt ingegaan op het aantal door ARS T&TT te leveren certificaten. Partijen zijn het erover eens dat uit het Memo inzake de beloning van het X-team uit 2004 (hierna ook: Memo 2004) volgt dat werknemer aanspraak kon maken op 400 certificaten en 600 opties en dat hij uiterlijk op 15 augustus 2004 schriftelijk diende aan te geven of hij van deze mogelijkheid gebruik wilde maken. Uit de bewoordingen van de e-mails van 15 augustus 2004 volgt dat werknemer te kennen heeft gegeven dat hij gebruik wenste te maken van de aan hem geboden mogelijkheid en dat ARS T&TT dit heeft bevestigd. De conclusie is dat op 15 augustus 2004 een overeenkomst tot stand is gekomen tot levering van 400 certificaten en 600 opties aan werknemer. De omstandigheid dat aanbod en aanvaarding nimmer formeel zijn vastgelegd op de wijze waarop dat in 2001 en 2002 is gebeurd, doet daaraan niet af. Werknemer heeft aldus terecht aanspraak gemaakt op de levering van 400 certificaten en 600 opties. Werknemer voert nog aan dat hij in zijn e-mail van 15 augustus 2004 ervoor heeft gekozen 840 oude opties te converteren in 840 nieuwe opties, zodat ARS T&TT gehouden is tot levering van de daarbij behorende 840 certificaten. Het hof volgt werknemer in deze stelling. Uit hetgeen is voorgevallen na het sluiten van de overeenkomst op 15 augustus 2004 blijkt dat werknemer er steeds van uit is gegaan dat partijen waren overeengekomen dat de oude opties in nieuwe opties zouden worden geconverteerd. Hoewel ARS T&TT bekend kon zijn met het feit dat werknemer in de veronderstelling verkeerde dat hij de oude opties had geconverteerd in nieuwe opties, is hierop van de zijde van ARS T&TT nimmer gereageerd. Verder is gesteld noch gebleken dat ARS T&TT op enig moment aan werknemer een overzicht heeft toegestuurd van de volgens haar geldende aantallen certificaten en opties. Hieruit volgt dat werknemer redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren dat hij (ook) beschikte over geconverteerde nieuwe opties, terwijl ARS T&TT zich niet erop kan beroepen dat zij redelijkerwijs kon aannemen dat werknemer had afgezien van conversie. Vervolgens wordt ingegaan op de verkoopprijs van de door ARS T&TT terug te kopen certificaten. Het hof constateert dat noch het Aandelenoptieplan 2001, noch het Memo 2004 expliciet bepalen welke waarderingsmethode moet worden gehanteerd bij de terugkoop van certificaten door ARS T&TT. Bij gebrek aan een expliciete regeling voor de terugkoop van certificaten dient de door ARS T&TT te betalen terugkoopprijs van de certificaten te worden vastgesteld aan de hand van een methode die in de concrete omstandigheden van het geval het meest passend is. Voor toepassing van de DCF-methode bestaan in de gegeven omstandigheden te weinig aanknopingspunten. Deze methode wordt in veel (andere) situaties gebruikt voor het bepalen van de waarde van een onderneming. Het ligt in het onderhavige geval meer voor de hand aan te knopen bij de waarderingsmethode die is gekozen voor de verkoop van de certificaten aan werknemer. Nu vaststaat dat de prijs van alle door werknemer verkregen certificaten is vastgesteld aan de hand van de methode die is beschreven in het Memo 2004, zal ook de terugkoopprijs aan de hand van deze rentabiliteitsmethode dienen te worden vastgesteld. Ten aanzien van de winstdeling ziet het hof tot slot gelet op de standpunten van partijen aanleiding om een deskundige te benoemen teneinde de omvang van het bedrag van de aan werknemer toekomende winstdeling over de jaren 2007-2010 te berekenen.