Rechtspraak
Ingenieursbureau X BV/werknemer
(Cassatieberoep op AR 2015-0875.) Werknemer (1963) is in 1989 in dienst getreden van werkgever, laatstelijk als constructeur. In 2013 is werknemer wegens arbeidsongeschiktheid (autismespectrumstoornis (ASS)) uitgevallen. In februari 2014 zijn partijen gestart met de re-integratie. Op een gegeven moment is de werkgever van werknemer gaan verlangen dat hij om 9:00 uur op het werk kwam. Werknemer kwam steeds enkele minuten te laat. Na verschillende waarschuwingen is werknemer in juni 2014 op staande voet ontslagen wegens het niet opvolgen van een redelijke opdracht. Bij beschikking van 22 september 2014 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van partijen voorwaardelijk ontbonden per 23 september 2014 voor het geval komt vast te staan dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, dit onder ‘voorwaardelijke’ toekenning aan werknemer van een bedrag groot € 180.000. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat van een rechtsgeldig ontslag geen sprake is. Het hof heeft het oordeel van de kantonrechter bekrachtigd. Tegen dit oordeel keert Ingenieursbureau X zich in cassatie onder meer met de klacht dat het hof niet heeft getoetst aan alle omstandigheden van het geval.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De klachten op de inhoudelijke beoordeling van de dringende reden worden met een beroep op artikel 81 RO verworpen. De A-G concludeerde dat het hof geen onjuiste maatstaf had aangelegd en dat overigens de klachten een feitelijk oordeel betroffen die niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof overwoog voorts het volgende: ‘13. (…) Voor zover grieven zijn opgeworpen die in het voorgaande niet aan de orde geweest zijn, zullen die grieven niet alsnog worden besproken nu, wat er van die grieven ook zij, deze niet tot een andere uitkomst van de procedure kunnen leiden.’ Ingenieursbureau X klaagt dat het hof grief 3 daarmee heeft miskend. Grief 3 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat werknemer met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten geen verweer heeft gevoerd. Het hof heeft grief 3 onbesproken gelaten en heeft zijn oordeel dat deze kosten toewijsbaar zijn, derhalve ontoereikend gemotiveerd. Het bestreden arrest kan dan ook ten aanzien van de beslissing over de buitengerechtelijke kosten niet in stand blijven. De klacht is gegrond.