Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 28 september 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:14590
werknemer/Schilders- en Afwerkingsbedrijf De Ruit B.V.
Werknemer is sinds 2010 in dienst. Op 16 februari 2011 is hem, terwijl hij in de woning van een (particuliere) klant van De Ruit – staand op een aan De Ruit in eigendom toebehorende ladder – bezig was met het behangen van een wand, ten val gekomen. Werknemer heeft als gevolg van dit ongeval letsel aan onder meer zijn linkerpols opgelopen. Bij brief van 29 december 2014 heeft werknemer De Ruit aansprakelijk gesteld voor alle als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade. Werknemer is thans niet meer in dienst van De Ruit. In de onderhavige deelgeschilprocedure verzoekt werknemer onder meer (1) te verklaren voor recht dat De Ruit aansprakelijk is voor het door werknemer overkomen bedrijfsongeval op 16 februari 2011, (2) te verklaren voor recht dat De Ruit gehouden is de materiële en immateriële schade die werknemer]heeft geleden, lijdt en nog zal lijden te vergoeden en (3) te bepalen dat De Ruit een voorschot op de immateriële schade moet betalen van € 5.000. Ook verzoekt werknemer te bepalen dat De Ruit gehouden is om de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten te dragen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Als niet weersproken staat vast dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden een ongeval is overkomen, als gevolg waarvan hij letsel heeft opgelopen en schade heeft geleden. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is De Ruit voor deze schade aansprakelijk, tenzij zij aantoont dat zij aan de op haar rustende zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan dan wel dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer. Nu De Ruit in de onderhavige procedure niet is verschenen, heeft zij aan deze bewijslast niet voldaan. Gelet hierop zijn de onder 1 en 2 genoemde verzoeken voor toewijzing vatbaar. Niet voor toewijzing vatbaar is het onder 3 genoemde verzoek tot toekenning van een voorschot op de immateriële schade. Voor zover al moet worden aangenomen dat sprake is (geweest) van pijn van zodanige aard, duur en/of intensiteit dat betaling van smartengeld gerechtvaardigd is, staat de omvang van de immateriële schade thans nog geenszins vast. De kantonrechter acht het, gelet op de weigering van De Ruit om met werknemer in overleg te treden, redelijk dat aan de zijde van werknemer kosten in verband met het onderhavige deelgeschil zijn gemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat het aantal in rekening gebrachte uren (€ 5.720 in totaal, uitgaande van een tijdsbesteding van 16,75 uur, een uurtarief van € 265) gelet op de omvang en inhoud van het verzoekschrift, het ontbreken van verweer daartegen en de beperkte duur van de zitting, bovenmatig is. Het aantal aan de zaak bestede uren wordt gematigd tot 6 uur in totaal. De Ruit wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.271,95.