Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Kennis Marketing & Media Groep
Hoge Raad, 23 december 2016
ECLI:NL:HR:2016:2990

werknemer/Kennis Marketing & Media Groep

Dwingende bewijskracht proces-verbaal comparitie bij uitleg schikkingsovereenkomst ter comparitie, hoewel proces-verbaal 2,5 jaar na zitting is opgesteld.

Werknemer is in 2009 in dienst getreden van KMM. Naast een salaris van € 7.200 en vaste toeslagen gold voor werknemer een winstdelingsregeling van 5% van de groepswinst. In mei 2010 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen door de kantonrechter te Lelystad ontbonden met ingang van 1 juni 2010, onder toekenning van een ontslagvergoeding van € 45.000 bruto aan de werknemer. Voordat de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overging, hadden partijen tijdens een schorsing van de zitting van 28 mei 2010 reeds overeenstemming bereikt over de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst en over de hoogte van de ontslagvergoeding. Werknemer stelt vervolgens dat hij op grond van de overeengekomen winstdelingsregeling recht heeft op 5% van de groepswinst 2009. De werknemer stelt zich op het standpunt dat hij jegens KMM nimmer afstand heeft gedaan van zijn recht op winstdeling. KMM heeft verweer gevoerd en primair betoogd dat de werknemer akkoord is gegaan met een ontslagvergoeding van € 45.000 bruto, waarin eventueel nog openstaande vakantiedagen, declaraties en winstdeling begrepen waren. Partijen zijn voorts finale kwijting overeengekomen. In de bodemprocedure oordeelde het hof dat uit het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter (ontbindingsrechter) blijkt dat partijen met hun advocaten een minnelijke regeling hebben bereikt waarbij KMM aan de werknemer een vergoeding zal betalen van € 45.000 en wel tegen finale kwijting en waarbij de werknemer heeft afgezien van winstdeling. De werknemer klaagt dat het hof miskent dat aan afspraken die zijn vastgelegd in een 2,5 jaar later opgesteld proces-verbaal geen dwingende bewijskracht kan worden toegekend (als bedoeld in art. 157 Rv), indien het proces-verbaal is opgesteld toen de desbetreffende rechter (door het tijdsverloop) niet op basis van eigen waarneming kon vaststellen wat de exacte afspraken (moeten) zijn geweest. Volgens het middelonderdeel berust het opgemaakte proces-verbaal slechts op een interpretatie achteraf door de kantonrechter en de griffier van de tijdens de zitting door de griffier met de hand gemaakte aantekeningen. Volgens het middelonderdeel had het hof in dit geding zélf een oordeel behoren te geven over de juiste interpretatie van deze aantekeningen. Dat heeft het hof nagelaten.

De advocaat-generaal (Langemeijer) concludeert als volgt. De omstandigheid dat de gemaakte afspraken eerst geruime tijd na de zitting zijn vastgelegd in een proces-verbaal doet niet af aan de formele en materiële bewijskracht daarvan. Zou geen dwingende bewijskracht worden toegekend aan akten die pas later zijn opgesteld, dan zou afbreuk worden gedaan aan de achterliggende gedachte van de regeling van art. 157 lid 1 Rv met betrekking tot authentieke akten, te weten: dat, behoudens tegenbewijs, moet worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen de desbetreffende ambtenaar over zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard. Het argument dat de kantonrechter ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal geen herinnering meer had aan het verhandelde ter zitting doet hieraan niet af: dit is de eigen verantwoordelijkheid van degene die de akte opstelt. Bovendien valt hier bezwaarlijk een grens te trekken: bij veel voorkomende ambtshandelingen is niet ongebruikelijk dat deze worden vastgelegd in de vorm van kladaantekeningen die pas later, na een redactionele bewerking, in de vorm van een proces-verbaal worden vastgelegd. Het hof heeft vastgesteld dat de verklaring die in het proces-verbaal is opgenomen overeenstemt met de handgeschreven aantekeningen van de dienstdoende griffier. De cassatieklacht treft geen doel.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.