Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/JPB Industrial Services BV
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 17 januari 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:315

werknemer/JPB Industrial Services BV

Werknemer is geslaagd in de aanvullende bewijslevering dat werkgever en werknemer hebben afgesproken om de ontbindingsvergoeding te verrekenen met het restant van de lening van werknemer. Ontkennende verklaring van werkgever onvoldoende overtuigend.

Feiten

Werknemer is werkzaam geweest bij JPB Industrial Services BV (hierna: JPB). JPB heeft aan werknemer geld geleend voor de aanschaf van een auto. Partijen hebben afgesproken dat op de lening wordt afgelost door verrekening van de aan werknemer toekomende maandelijkse kilometervergoeding. JPB gaat op een bepaald moment failliet en de vordering van JPB jegens werknemer wordt overgenomen. Werknemer stelt dat tussen partijen is afgesproken om de aan werknemer toekomende ontbindingsvergoeding te verrekenen met het restant van de lening en op die manier met gesloten beurzen uiteen te gaan. In eerste aanleg is niet bewezen geacht dat die afspraak is gemaakt. In het tussenarrest heeft het hof werknemer opgedragen nader bewijs te leveren van zijn stelling dat tussen partijen is afgesproken om met gesloten beurzen uiteen te gaan.

Oordeel

Aanvullende bewijslevering geslaagd

Werknemer heeft verklaard dat voor hem geen plaats was bij de doorstart van JPB, welk bedrijf in de zomer van 2009 failliet ging. Twee of drie dagen vóór 21 augustus 2009 is werknemer door X benaderd met het voorstel de bruto ontslagvergoeding netto te verrekenen met de schuld die werknemer aan JPB had. Naast de zin ‘Dan ben je schuldenvrij’ heeft X ook gezegd dat werknemer ‘break even zou spelen’. Werknemer kon deze afspraak niet op papier krijgen, maar X zei ‘een man een man, een woord een woord’. De verklaring van werknemer als partijgetuige heeft de beperkte bewijskracht van artikel 164 lid 2 Rv, zodat voor het oordeel dat werknemer geslaagd zou zijn in de bewijslevering aanvullende bewijzen nodig zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van werknemer als partijgetuige voldoende geloofwaardig maken. Y heeft verklaard dat de werknemers van JPB omstreeks 4 augustus 2009 ontslag is aangezegd en dat de opzegtermijn liep tot 15 september 2009. Het bedrijf draaide na het faillissement door en X, die bezig was met de doorstart, regelde volgens Y alles nog. X heeft Y verteld dat de schuld van werknemer aan het bedrijf zou worden verrekend met de bruto ontslagvergoeding waarop werknemer recht had. Beide bedragen waren ongeveer even hoog. Ongeveer een week voor 15 september 2009 heeft X een soortgelijk voorstel aan Y gedaan. Op grond van de verklaringen van werknemer en Y is het bewijs in beginsel geleverd. Werknemer heeft gedetailleerd verklaard over de afspraak die volgens hem met Y is gemaakt over verrekening van het uitstaande saldo van de autolening met de ontslagvergoeding, terwijl vaststaat dat de bruto bedragen van ontslagvergoeding en leningsaldo vrijwel gelijk waren. Uit de verklaring van werknemer volgt dat X zich bij het maken van de gestelde afspraak heeft opgesteld als de bestuurder van JPB en/of als de toekomstig bestuurder van de overnemende partij. Y heeft uit eigen wetenschap verklaard dat hij van X heeft vernomen van de afspraak met werknemer, waarvan de inhoud overeenkomt met hetgeen werknemer hierover heeft verklaard. Bezien in samenhang met de omstandigheid dat X aan Y volgens diens verklaring een vergelijkbaar voorstel heeft gedaan voorafgaand aan het vertrek van Y bij JPB Stadskanaal, oordeelt het hof dat de verklaring van Y zodanig sterk is en essentiële punten betreft, dat deze de verklaring van werknemer als partijgetuige voldoende geloofwaardig maakt.

Geleverde bewijs niet ontzenuwd

Y heeft verklaard het ‘niet logisch’ is dat hij werknemer – die in dienst is getreden bij een concurrent – met de gestelde afspraak een ‘cadeautje’ zou meegeven. Dit wordt echter ook niet door werknemer gesuggereerd, integendeel: uit diens verklaring valt af te leiden dat Y, toen de afspraak in augustus 2009 zou zijn gemaakt, geen rekening heeft gehouden met fiscale consequenties. Volgens werknemer is X in december 2009 bij hem op de in augustus 2009 gemaakte afspraak teruggekomen, omdat X problemen met de Belastingdienst zou krijgen indien werknemer niet alsnog een bedrag zou bijbetalen. Ook in de lezing van werknemer was X dus niet van plan iets weg te geven. Het geleverde bewijs is in beginsel niet ontzenuwd.

Conclusie

Bewezen wordt geacht dat tussen werknemer en X (in zijn hoedanigheid van bestuurder van JPB) is afgesproken dat de ontslagvergoeding zou zijn verrekend met het saldo van de autolening. Aangezien X thans zeggenschap heeft over JPB, is die vennootschap gebonden aan de door X met werknemer gemaakte afspraak. De vordering van JPB wordt alsnog afgewezen.