Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Autobedrijf Swemmer B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17 januari 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:453

werknemer/Autobedrijf Swemmer B.V.

Toewijzing ontbindingsverzoek artikel 7:671c BW. Niet voldoen aan re-integratieverplichtingen is aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen/nalaten werkgever. Werknemer tijdens ziekte niet doorbetalen en niet voldoen aan voornoemde verplichtingen leidt tot billijke vergoeding van € 50.000.

Feiten

Werknemer is op 1 januari 1999 in dienst getreden van Autobedrijf Swemmer B.V. (hierna: Swemmer). De functie van werknemer is die van 1ste monteur. Op 20 augustus 2014 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt. Zijn arbeidsongeschiktheid duurt sindsdien onverminderd voort. De bedrijfsarts heeft in september 2014 geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer deels te maken had met medische beperkingen en deels met werkgerelateerde problematiek. De bedrijfsarts heeft geadviseerd deze problematiek in een gesprek tussen werknemer en Swemmer uit te praten, zodat daarna een vruchtbaar re-integratietraject kon worden opgestart. Het gesprek heeft niet plaatsgevonden. Werknemer heeft vervolgens bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd. Volgens het deskundigenoordeel waren de door Swemmer tot dan toe uitgevoerde re-integratie-inspanningen niet voldoende. Naar aanleiding van een bezoek van werknemer aan de bedrijfsarts op 16 december 2015 heeft de bedrijfsarts teruggekoppeld dat er naar zijn oordeel niet langer sprake is van ziekte of gebrek maar van een arbeidsconflict. Swemmer heeft over de eerste zes maanden van 2016, alsmede over de periode 1 juli 2016 tot en met 20 augustus 2016, geen loon betaald. Werknemer verzoekt onder meer de arbeidsovereenkomst te ontbinden en Swemmer te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding.

Oordeel

Redelijke grond voor ontbinding?

De kantonrechter oordeelt als volgt. Als onbetwist gesteld staat vast dat Swemmer niet of nauwelijks invulling heeft gegeven aan de op haar rustende re-integratieverplichtingen jegens werknemer. Gesteld noch gebleken is in ieder geval dat zij in dat verband enige actie heeft ondernomen naar aanleiding van de adviezen van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV, ook niet na aandringen van de zijde van werknemer. Daarmee is gegeven dat Swemmer ook haar wettelijke verplichtingen ex artikel 7:658a BW jegens werknemer heeft geschonden. Dergelijk handelen althans nalaten van Swemmer is zonder meer aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever als bedoeld in artikel 7:671c lid 2 onderdeel b BW en levert ook grond op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens omstandigheden van dien aard dat deze billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, als bedoeld in artikel 7:671c lid 1 BW. De arbeidsovereenkomst wordt dan ook met ingang van 1 februari 2017 ontbonden.

Billijke vergoeding

Nu de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van voormeld ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten van Swemmer, ziet de kantonrechter aanleiding werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Bij de bepaling van de hoogte daarvan betrekt de kantonrechter op de eerste plaats dat Swemmer werknemer, die thans achttien jaar in dienst van Swemmer is en die voor zijn levensonderhoud aangewezen was op de inkomsten uit die dienstbetrekking, in een periode van volledige arbeidsongeschiktheid langdurig en ook nog zonder opgaaf van reden verstoken heeft gelaten van zijn loon (bij ziekte). Minstens zo verwijtbaar acht de kantonrechter dat Swemmer werknemer ook in zijn arbeidsongeschiktheid heeft laten ‘bungelen’, in die zin dat uit niets blijkt dat zij de op haar rustende re-integratieverplichtingen op enig moment serieus ter hand heeft genomen. Het handelen dan wel nalaten van Swemmer is bepaald niet bevorderlijk geweest voor de (duur van) arbeidsongeschiktheid van werknemer. Het voorgaande in ogenschouw genomen acht de kantonrechter het handelen dan wel nalaten van Swemmer jegens werknemer dusdanig in strijd met de eisen van goed werkgeverschap dat hier slechts met een billijke vergoeding van aanzienlijke hoogte recht kan worden gedaan aan dat ernstig handelen dan wel nalaten, terwijl deze vergoeding naar het oordeel van de kantonrechter tevens een punitief en afschrikwekkend karakter moet hebben. De door werknemer verzochte billijke vergoeding ad € 50.000 bruto acht de kantonrechter daarmee in overeenstemming, hetgeen Swemmer overigens ook niet heeft bestreden. Die vergoeding wordt dan ook toegewezen.