Rechtspraak
B/Hertel B.V.
Feiten
B is de erfgename van A. A was in de periode van 2 december 1963 tot en met 31 december 1969 als scheepsbeschieter in dienst van de Nederlandse Dok- en Scheepsbouwmaatschappij te Amsterdam (hierna: NDSM). In de periode dat hij bij NDSM werkzaam was, verrichtte Hertel als onderaannemer van NDSM isolatiewerkzaamheden op de scheepswerf. Op 22 augustus 2014 is bij A de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Bij brief van 23 december 2014 heeft (de advocaat van) A Hertel aansprakelijk gesteld voor de schade die A lijdt als gevolg van blootstelling aan asbest door Hertel op de scheepswerf van NDSM. A heeft daarbij tevens te kennen gegeven aanspraak te maken op immateriële schadevergoeding. Op 27 december 2014 is A overleden. B vordert te verklaren voor recht dat Hertel jegens A en B onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor jegens B schadeplichtig is geworden. Voorts verzoek zij immateriële schadevergoeding van € 75.000 en betaling aan B van de materiële schade in de zin van de artikelen 6:107 en 6:108 BW, nader op te maken bij staat. Hertel voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Hertel heeft aangevoerd dat de vordering op grond van artikel 3:310 lid 2 BW is verjaard.
Oordeel
Toepassing gezichtspunten
Of het toepassen van de verjaringstermijn van dertig jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet aan de hand van alle omstandigheden van dit concrete geval worden beoordeeld, waarbij de zeven in het arrest Van Hese/Schelde (HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 en NJ 2000/430) geformuleerde gezichtspunten zullen worden betrokken. Geoordeeld wordt dat A en zijn nabestaanden voldoende voortvarend hebben gehandeld om Hertel tijdig op de hoogte te stellen en een vordering tot schadevergoeding in te stellen (gezichtspunt g), welke schadevergoeding aan B, de weduwe van A, ten goede zal komen (gezichtspunt a). Daarbij is door Hertel niet aangevoerd dat zij met een dergelijke vordering gelet op het tijdsverloop geen rekening meer hoefde te houden (gezichtspunt d). Deze drie gezichtspunten pleiten alle voor het buiten toepassing laten van de verjaringstermijn. De voornaamste reden om deze termijn in het onderhavige geval wel strikt toe te passen wordt gevormd door het feit dat Hertel door het tijdsverloop ernstig is bemoeilijkt in haar verweer (gezichtspunt e). Daar staat echter tegenover dat ten minste sprake is van enige verwijtbaarheid aan de zijde van Hertel (het niet treffen van veiligheidsmaatregelen, gezichtspunt c). Een eventuele door Hertel te betalen schadevergoeding wordt daarbij nog wel gedekt door haar verzekering (gezichtspunt f). De uitkering op grond van de TAS (gezichtspunt b) zou handhaving van de verjaringstermijn weliswaar minder schrijnend maken, maar deze omstandigheid weegt niet zo zwaar als het gevolg dat B door toepassing van de verjaringstermijn de mogelijkheid om de volledige schade te verhalen zou worden ontnomen. Uit het voorgaande volgt dat de meerderheid van de gezichtspunten naar het buiten toepassing laten van de verjaringsregel wijzen. Met name gezichtspunt f is daarbij van groot belang. Gelet op alle overige omstandigheden wordt geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van een zodanig uitzonderlijk geval dat het belang van rechtszekerheid daarvoor moet wijken. Het beroep van Hertel op verjaring van de vordering van B is dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, waardoor de vordering van B niet is verjaard. Nu de vordering niet is verjaard, zal de door B gestelde gevaarzetting door Hertel worden beoordeeld. In dit verband is bij de bespreking van gezichtspunt c overwogen dat thans onvoldoende is aangetoond dat A aan asbestvezels is blootgesteld als gevolg van de door Hertel uitgevoerde isolatiewerkzaamheden aan de leidingen. B zal daarom worden opgedragen nader bewijs aan te leveren van de gestelde blootstelling aan asbestvezels.
Immateriële schadevergoeding
Tussen partijen staat vast dat A in de brief van 23 december 2014 aanspraak heeft gemaakt op immateriële schadevergoeding. Hertel heeft niet betwist dat deze brief op 23 december 2014 is verzonden. Hoewel op de brief is vermeld dat deze tevens per fax aan Hertel is verzonden, is ter comparitie gebleken dat het gebruikte faxnummer onjuist is. Het gaat er derhalve om of de per post verstuurde brief Hertel (tijdig) heeft bereikt. Het staat vast dat deze brief op enig moment tussen 24 december 2014 en 7 januari 2015 bij Hertel is bezorgd. Het exacte tijdstip waarop de brief op het postbusadres van Hertel is aangekomen is echter niet bekend, hoewel aannemelijk is dat deze op 24 december 2014 dan wel 27 december 2014 in de postbus is gedeponeerd, gelet op het normale postverkeer in Nederland. Het is echter mogelijk dat de brief Hertel heeft bereikt nadat A op 27 december 2014 is overleden. Daarmee dient de vraag zich aan of voor de mededeling in de zin van artikel 6:106 lid 2 BW ten behoeve van de overgang van de smartengeldvordering onder algemene titel van doorslaggevend belang is dat die mededeling de wederpartij voor het overlijden van het slachtoffer heeft bereikt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Indien in deze procedure vast zal komen te staan dat Hertel schadeplichtig is jegens B, komt daarom ook de geleden immateriële schade voor vergoeding in aanmerking. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.