Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Raad Maastricht B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 26 januari 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:738

werkneemster/Raad Maastricht B.V.

Artikel 7:668a (oud) BW is van toepassing op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die voor 1 juli 2015 is aangegaan. Het lag op de weg van werkneemster om te stellen dat de tweede arbeidsovereenkomst daadwerkelijk is aangegaan na inwerkingtreding van de WWZ.

Feiten

Werkneemster is bij Raad Maastricht op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een looptijd van 1 mei 2014 tot 1 mei 2015 in dienst getreden. Partijen hebben aansluitend achtereenvolgens twee arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten, beide gedateerd op 10 maart 2015. De eerste arbeidsovereenkomst heeft een looptijd van 1 mei 2015 tot 1 mei 2016 [red: bedoeld zal zijn 1 mei 2014 tot 1 mei 2015]. De tweede arbeidsovereenkomst heeft een looptijd van 1 mei 2015 tot 1 november 2016. Bij brief van 21 september 2016 heeft Raad Maastricht aan werkneemster medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 31 oktober 2016. Tussen partijen is in geschil of op grond van het nieuwe artikel 7:668a BW (per 1 juli 2015) sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf 1 mei 2016.

Oordeel

Ingevolge XXIIe lid 2 van de WWZ is artikel 7:668a lid 1 BW zoals dat artikel luidt met ingang van 1 juli 2015 eerst van toepassing op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die worden voortgezet na 1 juli 2015 indien op of na dat tijdstip een volgende arbeidsovereenkomst wordt aangegaan. Hieruit volgt dat voor het antwoord op de vraag of het nieuwe artikel 7:668a lid 1 BW van toepassing is, in deze zaak bepalend is op welk tijdstip partijen de (gewijzigde) arbeidsovereenkomst met de periode 1 mei 2015 tot 1 november 2016 zijn aangegaan. Reeds buiten rechte heeft Raad Maastricht zich in de brief van 2 november 2016 op het standpunt gesteld dat de tweede op 10 maart 2015 gedateerde arbeidsovereenkomst, aflopend op 31 oktober 2015, is gesloten voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WWZ op 1 juli 2015. Deze zou volgens de stellingen van Raad op dezelfde dag als de eerste overeenkomst zijn gesloten en daarvoor in de plaats zijn gekomen. Werkneemster heeft miskend dat het op grond van het bepaalde in artikel XXIIe lid 2 WWZ op haar weg ligt om te stellen dat de tweede arbeidsovereenkomst, gedateerd 10 maart 2015, daadwerkelijk is aangegaan na inwerkingtreding van de WWZ. In het verzoekschrift wordt dienaangaande verder niets gesteld. Eerst ter zitting betrekt werkneemster de stelling dat de tweede arbeidsovereenkomst wellicht omstreeks april 2016 zou zijn aangegaan, hetgeen Raad Maastricht heeft betwist. Gezien de betwisting zijdens Raad en de aan de door werkneemster ondertekende overeenkomst toe te kennen bewijskracht in de zin van artikel 157 Rv, had het op de weg van werkneemster gelegen voldoende feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen, inhoudende dat de tweede overeenkomst (aflopend 31 oktober 2016) tussen partijen op een op of na 1 juli 2015 gelegen tijdstip werd gesloten. Werkneemster heeft dit echter nagelaten, zodat de kantonrechter ook niet meer aan een bewijsopdracht toekomt. Dit betekent dat de kantonrechter dient uit te gaan van de in de overeenkomst opgenomen datum waarop de overeenkomst zou zijn gesloten, te weten 10 maart 2015, zodat artikel 7:668a lid 1 onderdeel a BW, zoals die bepaling luidde voor 1 juli 2015, van toepassing is. Conclusie is dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De verzoeken van werkneemster worden afgewezen.