Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Groot Conserven B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 20 december 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:11229

werknemer/Groot Conserven B.V.

Werknemer niet-ontvankelijk in verzoek om vernietiging ontslag op staande voet en toekenning transitievergoeding wegens overschrijding vervaltermijnen.

Feiten

Werknemer is op 6 juni 2006 in dienst getreden bij Groot Conserven. De laatste functie die hij vervulde, is die van productiemedewerker. Op 15 augustus 2016 is werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer verzoekt vernietiging van het ontslag en loondoorbetaling. Aanvullend heeft werknemer een verzoek gedaan om Groot Conserven te veroordelen een transitievergoeding te betalen.

Oordeel

Gezien de brief van Groot Conserven van 15 augustus 2016 neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat werknemer op die datum op staande voet is ontslagen. De brief is gelet op de bewoordingen daarvan immers duidelijk. Volgens artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW vervalt de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van de artikelen 7:672 lid 10, 7:677, 7:681 lid 1 en 7:682 lid 1, 2 en 3 betreft. Het verzoek van werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet is een verzoek op grond van artikel 7:681 lid 1 BW. Uitgaande van het ontslag op staande voet op 15 augustus 2016 is de arbeidsovereenkomst op die dag geëindigd. Dat betekent dat het verzoek van werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet twee maanden nadien en uiterlijk op 15 oktober 2016 had moeten worden ingediend. Het verzoek is echter door de rechtbank ontvangen op 14 november 2016. Dat is ruim buiten de vervaltermijn en dus te laat. Het verzoek van werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet is daarom niet-ontvankelijk. Het verzoek van werknemer met betrekking tot de transitievergoeding had drie maanden na het ontslag op staande voet moeten worden ingediend en dus uiterlijk op 15 november 2016. Het verzoek is echter door de rechtbank ontvangen op 9 december 2016. Dat is buiten de vervaltermijn en dus eveneens te laat. Ook het verzoek van werknemer om Groot Conserven te veroordelen een transitievergoeding te betalen, is daarom niet-ontvankelijk. Werknemer heeft nog gesteld dat het verzoek met betrekking tot de transitievergoeding wel tijdig is gedaan, omdat dit verzoek moet worden gezien als een aanvulling van het eerdere verzoek ten aanzien van het ontslag, dat al op 14 november 2016 is ingediend. Die stelling gaat niet op. Op zichzelf kon werknemer zijn eerder op 14 november 2016 ingediende verzoek vermeerderen, gelet op artikel 283 Rv. Het verzoek om Groot Conserven te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding kan dan ook worden gezien als zo’n vermeerdering van het eerder ingediende verzoek. Echter, ook in geval van een dergelijke vermeerdering van het verzoek moet worden beoordeeld of dat verzoek is ingediend binnen de geldende vervaltermijn. Als de datum waarop het verzoek ten aanzien van de transitievergoeding is ingediend, kan in dit geval niet gelden de datum van ontvangst van het eerste verzoek op 14 november 2016, maar moet worden uitgegaan van de datum waarop de vermeerdering van het verzoek is ingediend, te weten op 9 december 2016. Immers, het verzoek om Groot Conserven te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding is een nieuw verzoek, dat losstaat van het verzoek om vernietiging van het ontslag op staande voet. Het verzoek ten aanzien van de transitievergoeding heeft ook een andere feitelijke en juridische grondslag dan het verzoek betreffende het ontslag, en de vervaltermijn ten aanzien van de transitievergoeding is ook anders dan die ten aanzien van het ontslag, en in een afzonderlijk onderdeel van artikel 7:686a lid 4 BW geregeld.