Rechtspraak
Internationaal Veetransport/werknemer
Feiten
(Cassatieberoep van AR 2015-0505.) Werknemer is per 1990 in dienst getreden van de rechtsvoorganger van Internationaal Veetransport. Op 22 december 2010 is werknemer op staande voet ontslagen wegens onder meer werkweigering. Nadat werknemer aanvankelijk de nietigheid van het ontslag had ingeroepen, heeft hij bij brief van 31 januari 2011 laten weten dat hij berust in het ontslag en aanspraak maakt op schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging en gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. In cassatie gaat het materieel om een van de redenen die Internationaal Veetransport aan het ontslag op staande voet van de vrachtwagenchauffeur ten grondslag heeft gelegd: het niet uitvoeren van een rit op 22 december 2010. Partijen verschillen van inzicht over wat zich op deze datum heeft voorgedaan: volgens Internationaal Veetransport heeft werknemer de rit geweigerd, volgens werknemer weerhield een defect aan de vrachtwagen hem van het maken van die rit. Kantonrechter en hof oordeelden na bewijswaardering dat een geldige dringende reden niet is komen vast te staan. Het hof oordeelde dat cumulatie van artikel 7:680 (oud) en 7:681 (oud) BW in casu is toegestaan. Tegen beide oordelen (het ontslag op staande voet en de cumulatie) keert werkgever in cassatie.
Conclusie advocaat-generaal (Van Peursem)
De advocaat-generaal concludeert als volgt. Het oordeel van het hof dat van werkweigering door werknemer geen sprake is, omdat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld dat de opgedragen rit niet uitvoerbaar was (defect aan wagen), is uitvoerig gemotiveerd en niet onbegrijpelijk in cassatie-technische zin. Voor zover Internationaal Veetransport betoogt dat ten onrechte is geoordeeld dat een nietig ontslag op staande voet ook een kennelijk onredelijke opzegging oplevert, concludeert de A-G aldus. Toegegeven, het staat er enigszins versluierd, maar goed moet worden gezien dat het hof eerder al had vastgesteld dat, kort gezegd, sprake was van een ‘valse’ reden – een van de vormen van kennelijk onredelijk ontslag. Een reden is ‘vals’, wanneer deze in werkelijkheid niet bestaat. Het hof had hier immers al na uitvoerig onderzoek vastgesteld dat geen van de vier opgevoerde redenen voor ontslag op staande voet stand hield, zodat die redenen juridisch als ‘vals’ kwalificeren, hetgeen een vorm van kennelijk onredelijk ontslag oplevert.
Cumumlatie van gefixeerde schadevergoeding en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag
De gefixeerde schadevergoeding bij onregelmatig ontslag is verschuldigd ongeacht of er werkelijk schade is geleden. Indien de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is opgezegd, kan de rechter aan de wederpartij ook steeds een schadevergoeding toekennen op grond van artikel 7:681 BW. Deze schadevergoeding heeft een bijzonder karakter en dient er vooral toe aan de benadeelde een zekere mate van genoegdoening te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Ten aanzien van deze laatste vergoeding heeft de rechter een grote mate van vrijheid om op grond van alle omstandigheden van het geval de hoogte van de vergoeding te bepalen. De gewone regels over schadebegroting uit Boek 6 BW zijn daarbij van toepassing, waarbij de hoogte van de toe te kennen vergoeding is gerelateerd aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen en aan de daaruit voortvloeiende (materiële en immateriële) nadelen voor de werknemer. De rechter dient zich per geval steeds nauwkeurig rekenschap te geven van de concrete omstandigheden en factoren die de hoogte van de vergoeding bepalen en daarvan in zijn beslissing ook verantwoording af te leggen op zodanige wijze dat voldoende inzicht wordt gegeven in de afweging die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding heeft geleid. In beginsel moet de rechter de schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag zo concreet mogelijk berekenen. Als dit niet mogelijk is, dan mag hij de schade schatten. Is ook dat niet mogelijk, dan kan de hoogte van de schade naar billijkheid worden vastgesteld (zie art. 6:97 BW). In 2013 oordeelde de Hoge Raad dat de vordering tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van de toepasselijke opzegtermijn en de vordering tot betaling van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag elkaar niet uitsluiten. In die zaak had het hof bij het bepalen van de hoogte van de laatste schadevergoeding rekening gehouden met de toegekende gefixeerde schadevergoeding, waartoe volgens dit arrest vrijheid (maar geen plicht) bestaat. De rechter heeft een grote mate van vrijheid om op grond van alle omstandigheden van het geval de hoogte van de vergoeding ingevolge artikel 7:681 BW te bepalen, aldus dit arrest. Het hof heeft de juiste maatstaf vooropgesteld: cumulatie van vergoedingen ex artikel 7:680 en 7:681 BW is niet uitgesloten. De vraag of cumulatie toelaatbaar is, beoordeelt het hof vervolgens aan de hand van de vraag of de beide vergoedingen strekken tot dekking van dezelfde schade en of de aard van de aansprakelijkheid en de mate van verwijtbaarheid richting de aansprakelijke persoon met zich brengt dat verrekening van voordeel uit de gefixeerde schadevergoeding redelijk is. Hieruit blijkt dat het hof het aangevoerde beginsel wel degelijk heeft erkend en meegenomen in zijn beoordeling. Alle omstandigheden van het geval tegen elkaar afwegend, komt het hof dan tot het eindoordeel dat de cumulatie in deze zaak niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking dan wel een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare situatie. Daarop stuit dit subonderdeel af.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.