Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 7 februari 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:437
werknemer/Stukart Tuinen B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 juni 2016 in dienst getreden bij Stukart Tuinen B.V. (hierna: Stukart). De laatste functie die werknemer vervulde is die van allround hovenier. De CAO Hoveniersbedrijf (hierna: de cao) is op de arbeidsovereenkomst van toepassing. In artikel 12 lid 1 van de cao is bepaald: ‘Het is de werknemer niet toegestaan om werkzaamheden te verrichten die concurrentie kunnen opleveren voor zijn werkgever, tenzij hiervoor schriftelijke overeenstemming bestaat tussen werknemer en werkgever. In geval van overtreding kan ontslag op staande voet volgen.’ Op 17 oktober 2016 heeft Stukart werknemer op staande voet ontslagen, omdat werknemer op 10 oktober 2016 concurrerende werkzaamheden zou hebben verricht met gereedschap van Stukart en omdat hij de daarvoor ontvangen beloning niet aan Stukart heeft afgedragen. Werknemer verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen. Stukart maakt op haar beurt aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
Oordeel
Ontslag op staande voet
Het ontslag is onverwijld gegeven en de reden van het ontslag is onverwijld medegedeeld. De vraag die vervolgens ter beantwoording voor ligt is of sprake is van een dringende reden. Hoewel de lezing van partijen van de feitelijke gang van zaken enigszins uiteenloopt, staat in ieder geval vast dat werknemer met materialen van en onder werktijd van Stukart een kleine heg heeft gesnoeid, dat hij daarvoor € 50 heeft ontvangen die hij niet aan Stukart heeft afgedragen en dat hij de ontvangst van dit bedrag ook niet aan Stukart heeft gemeld. Op grond van artikel 12 lid 1 van de cao is het verrichten van werkzaamheden die concurrentie voor de werkgever kunnen opleveren zonder schriftelijke toestemming niet toegestaan en kan in geval van overtreding ontslag op staande voet volgen. Het standpunt van werknemer dat geen sprake is van concurrerende werkzaamheden omdat het slechts het snoeien van een kleine heg betrof wordt door de kantonrechter niet gedeeld. Werknemer heeft weliswaar betwist dat het in artikel 12 lid 1 van de cao neergelegde beleid in de onderneming van Stukart wordt uitgedragen, maar – wat daar ook van zij – werknemer had naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid moeten begrijpen dat het met materialen van en in de tijd van Stukart verrichten van de betreffende werkzaamheden en het houden van (de helft van) het daarvoor ontvangen bedrag niet is toegestaan. De omstandigheid dat andere werknemers ook bijklussen met materialen van Stukart doet daaraan niet af. Naar het oordeel van de kantonrechter levert het gedrag van werknemer op 10 oktober 2016 dan ook een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt afgewezen.
Tegenverzoek werkgever
De kantonrechter stelt vast dat Stukart het tegenverzoek te laat heeft ingediend. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 17 oktober 2016. Het verzoek van Stukart is eerst (per fax) op 3 januari 2017 en derhalve niet binnen de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 aanhef en onderdeel a onder 2 BW ingediend. Uit de wet en de wetsgeschiedenis valt niet af te leiden dat deze vervaltermijn niet van toepassing zou zijn op een tegenverzoek. Stukart wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.