Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 24 januari 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:503

werkneemster/werkgever

Gedeeltelijke vernietiging concurrentiebeding. De stichting heeft er een zwaarwegend belang bij dat het concurrentiebeding onverkort gedurende de volledige duur gehandhaafd blijft voor zover het de vennootschappen A en bedrijf B betreft. Billijke vergoeding afgewezen.

Feiten

De stichting X is een instituut dat bedrijfsopleidingen en trainingen verzorgt op het gebied van de gezondheidszorg, de gezondheidszorg ondersteunende diensten en de spoedeisende geneeskunde. Werkneemster is sinds 2007 in dienst bij de stichting. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. De stichting heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen haar en werkneemster te ontbinden op de e-grond. Werkneemster heeft bij wijze van tegenverzoek primair verzocht voor recht te verklaren dat de stichting geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding. Subsidiair heeft zij verzocht het concurrentiebeding te vernietigen. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden. De vorderingen van werkneemster zijn door de kantonrechter afgewezen. Tegen dit vonnis komt werkneemster in hoger beroep.

Oordeel

Belangenafweging

Het verzoek in hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op het concurrentiebeding. De stichting verzorgt als instituut gespecialiseerde cursussen voor een beperkte (medische) doelgroep. Binnen Nederland bestaat slechts een gering aantal vergelijkbare instituten als dat van de stichting (ongeveer 6 à 7). Werkneemster was ten tijde van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst (1 juni 2016) ruim negen jaar in dienst bij de stichting. In haar functie als Coördinerend Productgroep Manager specialisme A, specialisme B en specialisme C/specialisme E binnen de stichting heeft zij in vergaande mate specifieke kennis en ervaring met betrekking tot de hiervoor vermelde cursussen en de daarbij behorende apparatuur opgedaan en ontwikkeld en tevens (commerciële) kennis met betrekking tot het klantenbestand van de stichting (in verband met de afzet van de gespecialiseerde cursussen). Zij heeft een uitgebreid netwerk opgebouwd onder de doelgroepen van zowel (potentiële) klanten als instructeurs. Werkneemster beschikt dus over zodanig bij de stichting opgebouwde relevante kennis en ervaring dat zij zichzelf of een derde een voorsprong in concurrerend handelen kan verschaffen. Vast staat dat werkneemster op 3 december 2015 een e-mail heeft ontvangen van Medisch Centrum Y dat besloten was de hele specialisme F Unit over een periode van vier jaar specialisme B te trainen. Werkneemster heeft de dag daarna, in een e-mail van 4 december 2016, Z van deze plannen van Medisch Centrum Y bericht en daarbij aangegeven dat zij nog even wilde wachten (het hof begrijpt: met het onderhandelen met Medisch Centrum Y over deze cursus) omdat zij niet wilde dat deze opdracht bij de stichting zou komen. In diezelfde e-mail heeft werkneemster vermeld dat zij al had bedongen op persoonlijke titel een specialisme D-cursus te mogen geven. Op 29 maart 2016 is bedrijf A opgericht, waarvan een van de bestuurders Z is. Vast staat dat deze vennootschap nagenoeg dezelfde (gespecialiseerde) activiteiten ontplooit als de stichting en dus een zware concurrent is voor de stichting. Op 24 februari 2016 heeft werkneemster offertes van de stichting doorgestuurd naar haar privé-e-mailadres en heeft ze een klant gevraagd om specialisme B-documenten naar haar privé-e-mailadres te sturen vanwege een probleem met haar Dropbox-account. Deze handelingen van werkneemster duiden erop dat zij ten minste de intentie had om haar werkgever te gaan beconcurreren, hetzij zelf, hetzij samen met Z. In die zin kan de oprichting op 29 maart 2016 van bedrijf A niet als toeval worden beschouwd. Ook als dit wel het geval zou zijn, dan heeft de stichting er een zwaarwegend belang bij dat het concurrentiebeding onverkort gedurende de volledige duur gehandhaafd blijft (dus tot 1 juni 2018) voor zover het de beide vennootschappen betreft waarmee Z is verbonden, te weten bedrijf A en bedrijf B. Voor het overige zal het hof de looptijd van het concurrentiebeding vernietigen en deze beperken tot 1 maart 2017. Mede vanwege de omstandigheid dat werkneemster sedert 1 maart 2016 door de stichting is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden en de arbeidsovereenkomst inmiddels geruime tijd geleden is ontbonden, weegt het belang van de stichting bij handhaving van het concurrentiebeding voor de volledige duur van twee jaar niet op tegen het belang van werkneemster om zich weer vrijelijk op de arbeidsmarkt te kunnen begeven.

Billijke vergoeding

Op grond van de uit te spreken (gedeeltelijke) vernietiging van het concurrentiebeding zoals hiervoor omschreven, kan niet worden geoordeeld dat het resterende concurrentiebeding werkneemster in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de stichting werkzaam te zijn, zodat het verzoek van werkneemster om aan haar bij wijze van billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW een bedrag van € 67.890 bruto toe te kennen, zal worden afgewezen.