Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Airport Parking Solutions B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 9 februari 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:1203

werknemer/Airport Parking Solutions B.V.

Afwijzing loonvordering oproepkracht op grond van artikel 7:610b BW. Niet aannemelijk dat werknemer zich beschikbaar heeft gehouden de bedongen arbeid te verrichten.

Feiten

Werknemer is op 2 juni 2016 in dienst getreden bij Airport Parking Solutions B.V. (hierna: Airport Parking) in de functie van teamleider/chauffeur voor de duur van een jaar, op oproepbasis. Werknemer heeft in juni 2016 140,25 uur voor Airport Parking gewerkt, in juli 2016 132,25 uur en in augustus 2016 134,25 uur. Werknemer is na 16 september 2016 niet meer opgeroepen door Airport Parking. Werknemer vordert thans bij wijze van voorlopige voorziening veroordeling van Airport Parking tot betaling van achterstallig loon en doorbetaling van loon tot 2 juni 2017 (einde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd). Werknemer beroept zich hierbij op artikel 7:610b BW en stelt dat hij zich beschikbaar heeft gehouden voor arbeid.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Op 19 september 2016 heeft werknemer per e-mail aan Airport Parking bericht dat Airport Parking zich aan een maand opzegtermijn dient te houden en dat werknemer in de laatste maand zijn vaste diensten kan vervullen. Dit kan gezien worden als een beschikbaarstelling voor arbeid door werknemer. Vervolgens schrijft hij echter in zijn berichten van 20 en 25 september 2016 aan Airport Parking alleen nog over het beëindigen van het contract. In deze laatste twee berichten heeft werknemer op geen enkele wijze aangegeven dat hij zich beschikbaar stelt voor het verrichten van arbeid. Werknemer heeft gesteld dat hij zich niet beschikbaar kon houden voor werk, omdat hij zijn kleding moest inleveren en niet meer in het digitale systeem voor het aangeven van beschikbaarheid kon. Nog daargelaten dat dit door Airport Parking wordt betwist, had werknemer desondanks per brief of e-mail aan Airport Parking kunnen melden dat hij zich beschikbaar hield voor de bedongen arbeid. Op grond van het voorgaande is voorshands niet aannemelijk dat werknemer zich beschikbaar heeft gehouden om de bedongen arbeid te verrichten. De kantonrechter wijst de vordering van werknemer dan ook af.