Naar boven ↑

Rechtspraak

advocaat/werkneemster
Hoge Raad, 10 maart 2017
ECLI:NL:HR:2017:404

advocaat/werkneemster

Niet verwijzen naar passage in grieven levert een beroepsfout op in 658-zaak, maar geen schadevergoeding wegens ontbreken causaliteit ‘fout’ en ‘gevolg’.

Feiten

Werkneemster is in de periode van in ieder geval 17 juli 1997 tot en met 23 december 1998 als analiste werkzaam geweest bij de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Zaaigoed en Pootgoed van Landbouwgewassen (hierna: NAK). Zij werkte in deze periode op de schoningsafdeling van NAK in Ede, waar onder meer grasmonsters werden bewerkt. Ten behoeve van het afvoeren van het stof dat vrijkomt bij het schonen, waren op de werkplek afzuiginstallaties geïnstalleerd. In 1999 is werkneemster arbeidsongeschikt uitgevallen. In 2003 stelt zij NAK aansprakelijk, omdat er een verband zou zijn met de arbeidsongeschiktheid en slechte afzuiging op de afdeling. In feitelijke instanties wordt de vordering van werkneemster afgewezen. In cassatie verzuimt de cassatieadvocaat naar de passage in de memorie van grieven en naar de passage in de notulen van het werkoverleg te verwijzen waarin staat dat ‘werknemer is blootgesteld aan een stof’. Werkneemster heeft vervolgens haar advocaat aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van deze beroepsfout. De rechtbank oordeelde dat hoewel sprake is van een beroepsfout, wegens het ontbreken van een causaal verband werkneemster geen schade heeft geleden door deze fout. Het hof oordeelde anders en kende werkneemster gedeeltelijk schade toe. Tegen dit oordeel keert de advocaat zich in cassatie.

Oordeel Hoge Raad niet verwijzen naar passage in grieven levert een beroepsfout op, maar geen schadevergoeding

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686). Vast staat dat in de eerste procedure in de memorie van grieven is verzuimd een beroep te doen op het feit dat in de notulen van een werkoverleg van 17 november 1997 was vermeld dat werkneemster in die week haar werkzaamheden op therapeutische basis voor halve dagen had hervat. Daarom kan advocaat niet als beroepsfout aangerekend worden dat zij in het door haar opgestelde cassatiemiddel niet heeft verwezen naar de desbetreffende passage in de notulen van het werkoverleg. Het gerechtshof te Arnhem behoefde immers niet met die passage rekening te houden. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Gelet op het voorgaande is uitgangspunt dat advocaat alleen als beroepsfout kan worden aangerekend dat zij in de eerste procedure in het cassatiemiddel geen verwijzing heeft opgenomen naar de passage in de memorie van grieven. De rechtbank heeft in de onderhavige procedure geoordeeld dat, in het veronderstelde geval dat deze beroepsfout niet zou zijn gemaakt, niet aannemelijk is dat de Hoge Raad het in de eerste cassatieprocedure bestreden oordeel van het gerechtshof zou hebben gekwalificeerd als ‘onbegrijpelijk’ en het arrest zou hebben vernietigd. Mede gelet op hetgeen namens werkneemster in de onderhavige procedure daartegen in hoger beroep is aangevoerd, laten de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat het hoger beroep ongegrond is. Dat brengt mee dat het vonnis van de rechtbank bekrachtigd moet worden.