Rechtspraak
weduwe van werknemer/Maersk
Feiten
(Cassatieberoep van AR 2015-0934.) Werknemer is in de periode 1953 tot 1969 (met een korte onderbreking in 1953 en 1954 in verband met het vervullen van militaire dienstplicht) werkzaam geweest bij de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij (hierna: VNS). VNS is overgegaan op Nedlloyd, en uiteindelijk na een groot aantal fusies en overnames Maersk BV komen te heten. In augustus 2010 heeft de longarts bij werknemer de diagnose maligne mesothelioom vastgesteld. Op 7 oktober 2010 is werknemer overleden aan de gevolgen van mesothelioom. De weduwe van werknemer vordert schadevergoeding van Maersk. De kantonrechter heeft, samengevat, geoordeeld dat Maersk zich terecht op verjaring van de vordering van weduwe heeft beroepen en dat er, de ‘gezichtspunten’ bedoeld in HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 (Van Hese/De Schelde) in ogenschouw genomen, geen grond bestaat het beroep van Maersk op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te oordelen. Het hof oordeelde in gelijke zin en overwooog dat er geen aanleiding bestond prejudiciële vragen te stellen naar aanleiding van Moor c.s/Zwitserland. In het arrest Moor c.s./Zwitserland is het EHRM tot het oordeel gekomen dat (kort weergegeven) sprake is van schending van artikel 6 lid 1 van het EVRM als een benadeelde die compensatie verlangt voor schade als gevolg van maligne mesothelioom, zijn vordering tot schadevergoeding ziet stranden op grond van de in Zwitserland geldende (objectieve) verjaringstermijn van tien jaar, die aanvangt op de dag waarop inademing van asbestvezels heeft plaatsgevonden. Hoewel het EHRM het belang van de rechtszekerheid in het algemeen onderkende, achtte het schending van genoemde verdragsbepaling aanwezig omdat deze Zwitserse objectieve verjaringsregel het mesothelioomslachtoffers in de praktijk onmogelijk maakte een vordering tot schadevergoeding in te stellen, omdat de ondergrens van de zogenaamde latentieperiode overeenkomt met deze verjaringstermijn. Werknemer keert zich tegen dit oordeel in cassatie.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt als volgt.
Absolute verjaring en artikel 6 EVRM
Een rechtsvordering tot vergoeding van schade door letsel of overlijden verjaart volgens artikel 3:310 lid 5 BW in afwijking van artikel 3:310 lid 1 en 2 BW slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Artikel 3:310 lid 5 BW is volgens artikel 119b Overgangswet nieuw BW echter niet van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die vóór 1 februari 2004 hebben plaatsgevonden. Daarom verjaart een rechtsvordering als de onderhavige, die strekt tot vergoeding van schade die een gevolg is van blootstelling aan asbest vóór 1 februari 2004, ingevolge artikel 3:310 lid 2 BW in ieder geval door verloop van dertig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (vgl. HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2720, NJ 1999/682, r.o. 3.6.3; HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5216, NJ 2012/197, r.o. 3.4.3). De ziekte mesothelioom, waarvan geen andere oorzaak bekend is dan blootstelling aan asbest, openbaart zich gemiddeld twintig tot veertig jaar na de blootstelling, binnen een bandbreedte van tien tot zestig jaar. De ziekte kan zich dus openbaren voordat de dertigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW is verstreken, maar dat kan ook daarna gebeuren. Indien de ziekte zich openbaart meer dan dertig jaar na de (laatste) blootstelling en de benadeelde actie wil ondernemen om zijn schade te verhalen, kan hij worden geconfronteerd met een beroep van de aangesproken partij op de verjaringsregel van artikel 3:310 lid 2 BW. Uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van de benadeelde is het moeilijk te aanvaarden dat een vordering verjaart die de benadeelde niet geldend heeft kunnen maken wegens het voor hem verborgen karakter van zowel de schade als het causaal verband daarvan met een bepaalde gebeurtenis. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en van billijkheid jegens de wederpartij in verband met (kort gezegd) bewijsproblemen, wordt echter niet afgeweken van het begintijdstip van de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW, te weten de gebeurtenis waardoor de schade wordt veroorzaakt (vgl. HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1867, NJ 1998/380 (Diaconessenhuis), r.o. 3.4; HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430 (Van Hese/De Schelde), r.o. 3.3.1). Het recht een vordering in te stellen is niet absoluut en mag onderhevig zijn aan beperkingen. Een beperking mag echter niet het wezen van het recht op toegang tot de rechter aantasten en is niet verenigbaar met artikel 6 lid 1 EVRM indien deze geen legitiem doel dient of niet proportioneel is aan het daarmee nagestreefde doel (vgl. EHRM 22 oktober 1996, NJ 1997/449 (Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijk)). Gelet op de duur van de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, alsmede gelet op de mogelijkheid die verjaring met toepassing van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing te laten, is sprake van een beperking van het recht op toegang tot de rechter die met artikel 6 lid 1 EVRM verenigbaar is. Of toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld aan de hand van de in het arrest van 28 april 2000 in r.o. 3.3.3 onder a tot en met g vermelde, niet limitatief bedoelde, gezichtspunten. Het arrest van het EHRM in de zaak Howald Moor c.s./Zwitserland (EHRM 11 maart 2014, 52067/10 en 41072/11, NJ 2016/88) geeft geen aanleiding die beperking van het recht op toegang tot de rechter niet langer met artikel 6 lid 1 EVRM verenigbaar te achten. Die toegang tot de rechter is in het weergegeven stelsel voor mesothelioomslachtoffers voldoende gewaarborgd doordat zij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn van dertig jaar een rechtsvordering kunnen instellen en de rechtsgevolgen van een eventueel beroep op verjaring door de aangesproken partij, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kunnen afweren met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Voldoende inzicht in weging van factoren, ondanks slagen grief geen vernietiging
In cassatie klaagt werknemer dat het hof onvoldoende de ‘weging van factoren’ heeft laten zien (gezichtspunten). De Hoge Raad oordeelt dat het hof wel voldoende inzicht heeft gegeven waarom zij vindt dat geen doorbreking van de verjaringstermijn moet plaatsvinden, waardoor bespreking van overige factoren (in het voordeel van werknemer) achterwege mocht blijven. Zowel gezichtspunt (a) als de voortvarende aansprakelijkstelling (gezichtspunt (g)) pleiten ten gunste van het beroep van werknemer op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ter afwering van de rechtsgevolgen van de verjaring. Daartegen pleiten echter de gezichtspunten (c) en (e). Er is ruim veertig jaar verstreken tussen de uitdiensttreding bij VNS van X en de (eerste) aansprakelijkstelling. Er zijn geen aanwijzingen dat Maersk, die in het geding betrokken is als rechtsopvolger van de oorspronkelijke werkgever, (nog) de beschikking heeft over informatie waarmee zij zich tegen de vordering kan verweren, noch dat haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Er zijn in het kader van de beoordeling van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid onvoldoende aanwijzingen dat aan Maersk een ernstig verwijt van het ontstaan van de schade kan worden gemaakt. De overige gezichtspunten leggen in dit geval niet of nauwelijks gewicht in de schaal. Onder deze omstandigheden komt aan de gezichtspunten (c) en (e) in dit geval zoveel meer gewicht toe dan aan de overige gezichtspunten, dat het beroep op artikel 6:2 lid 2 BW niet kan slagen.