Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 maart 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:2065
werkneemster/werkgever
Feiten
Werkneemster is op 1 augustus 2014 als oproepkracht in dienst getreden bij werkgever in de functie van schoonmaakster en heeft tot 31 december 2014 werkzaamheden verricht. Overeengekomen is een bruto uurloon van € 10,70. Bij brief van 29 januari 2016 heeft de gemachtigde van werkneemster werkgever gesommeerd tot betaling van achterstallig loon ten bedrage van € 3.151,15 bruto. Werkgever heeft daarop bij e-mail van 29 februari 2017 gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat al het salaris aan werkneemster is uitbetaald, voor de ontvangst waarvan werkneemster volgens werkgever ook heeft getekend op vijf loonstroken die als bijlage bij de e-mail zijn meegezonden. Op 20 april 2016 heeft werkneemster aangifte gedaan van het door werkgever vervalsen van haar handtekening. Bij brief van 2 februari 2017 van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO), heeft deze bericht dat uit een schriftvergelijkend onderzoek is gebleken dat de betwiste handtekening niet kan worden aangemerkt als een echte handtekening van werkneemster, maar als een betrekkelijk slechte nabootsing daarvan. In een onderzoeksverslag van 4 maart 2017 van Forensica onderzoek en advies (hierna: Forensica) zijn vraagtekens geplaatst bij het handschriftonderzoek verricht door NFO.
Oordeel
In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van werkneemster in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Opmerking verdient verder dat de onderhavige procedure betrekking heeft op een geldvordering. Voorts in aanmerking nemende dat: werkneemster niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij werkgever eerder dan op 29 januari 2016, derhalve ruim anderhalf jaar nadat haar vermeende loonvordering (deels) opeisbaar werd, heeft aangesproken op het uitblijven van betaling en zij vervolgens nog ruim een jaar heeft gewacht met het entameren van deze procedure; niet zonder meer begrijpelijk is waarom werkneemster ondanks uitblijven van de loonbetaling een vijftal maanden voor werkgever is blijven werken; de arbeidsovereenkomst weliswaar bepaalt dat loonbetaling geschiedt per bank of giro, maar aannemelijk is dat – nu onweersproken is gebleven dat zij in de desbetreffende periode ook een WW-uitkering ontving zonder aan het UWV de bij werkgever gewerkte uren op te geven en zij bovendien in scheiding lag – werkneemster mogelijk belang had bij contante voldoening van haar loon; werkgever een verklaring van een voormalig werknemer heeft overgelegd die verklaart het loon contant aan werkneemster te hebben uitbetaald; en de verslaglegging, onderbouwing en conclusie van het in opdracht van werkneemster verrichte handschriftonderzoek zeer summier is en door een ander forensisch instituut in twijfel is getrokken, wordt geoordeeld dat nader onderzoek moet worden verricht naar de vraag of het loon over de periode augustus 2014 tot en met december 2014 aan werkneemster wel of niet is uitbetaald. De kantonrechter wijst de vordering af.