Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 1 maart 2017
ECLI:NL:RBDHA:2017:3426
werknemer/Aditech Service Support B.V.
Feiten
Werknemer is een procedure jegens zijn werkgever, Aditech Service Support B.V., begonnen. Per faxbericht van 27 februari 2017 heeft werknemer het verzoekschrift ingetrokken. Vervolgens heeft werkgever per faxbericht van 28 februari 2017 het (voorwaardelijk) tegenverzoek eveneens ingetrokken en verzocht werknemer in de proceskosten te veroordelen, zowel in het kader van het verzoek als het (voorwaardelijk) tegenverzoek.
Oordeel
Nu werknemer het verzoekschrift heeft ingetrokken, hoeft ingevolge artikel 1.2.8 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken, kantonzaken alleen te worden beslist op het door werkgever gehandhaafde verzoek om een kostenveroordeling. Door het intrekken van zijn verzoekschrift kunnen de door werknemer aangevoerde gronden van zijn verzoek niet meer door de kantonrechter worden getoetst. Werknemer dient dan ook als de in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt en ingevolge het bepaalde in artikel 289 Rv te worden veroordeeld in de proceskosten van de werkgever. De kantonrechter ziet aanleiding om op grond van artikel 21 Rv van het forfaitaire advocatentarief af te wijken. De reden daarvoor is dat de kantonrechter op basis van de door partijen in het geding gebrachte stukken, die hij reeds ter voorbereiding van de mondelinge behandeling had bestudeerd, tot het oordeel komt dat werknemer een vervalst stuk in het geding heeft gebracht, zoals ook door werkgever is betoogd. Nu dat vervalste stuk de grondslag vormde voor het verzoek van werknemer, is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek bij gebreke van dat document niet zou zijn ingesteld. Hoewel werknemer de intrekking van zijn verzoek grondt op de omstandigheid dat hij inmiddels een andere baan heeft gevonden, is de werkelijke reden gelegen in de omstandigheid dat werkgever overtuigend heeft aangetoond dat het bewuste document is vervalst. Nu werknemer de feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd, zal de rechtbank op grond van artikel 21 Rv de proceskosten aan de zijde van de werkgever vaststellen op € 1000 aan salaris voor de gemachtigde. Werkgever verzoekt tevens om een kostenveroordeling in verband met het door haar ingestelde (voorwaardelijke) tegenverzoek. Werkgever heeft het tegenverzoek ingesteld onder de voorwaarde dat de kantonrechter zou beslissen dat na 2 januari 2017 sprake zou zijn van een nieuwe arbeidsovereenkomst (voor acht maanden). Nu de kantonrechter niet tot een dergelijk oordeel is gekomen, wordt niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het tegenverzoek, zodat ook een proceskostenveroordeling in dat kader niet aan de orde is. De kantonrechter veroordeelt werknemer in de proceskosten vastgesteld op € 1000 aan salaris voor de gemachtigde van werkgever.