Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/MT&V B.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 1 mei 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:2953

werkneemster/MT&V B.V.

Ontslag op staande voet junior adviseur die na (aan derden) aangekondigd vertrek naar concurrent weigert klanten aan collega over te dragen, is rechtsgeldig. Gedeeltelijke vernietiging concurrentiebeding.

Feiten

Werkneemster is op 1 december 2014 in dienst getreden bij MT&V. De laatste functie die zij vervulde, was die van junior adviseur. Een junior adviseur zoekt kandidaten voor opdrachten bij opdrachtgevers, brengt kandidaat en opdrachtgever in contact met elkaar en probeert dat te leiden tot een plaatsing van de kandidaat bij de opdrachtgever. Werkneemster oefende haar functie uit binnen het team Bouw. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentie-, relatie- en boetebeding opgenomen. Werkneemster heeft tegen diverse personen verteld dat zij bij D in dienst zou treden. Werkneemster is gevraagd tien van haar klanten over te dragen aan een collega. Werkneemster heeft dit geweigerd en is op staande voet ontslagen. Kern van het geschil betreft de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.

Oordeel

Ontslag op staande voet rechtsgeldig

Zodra duidelijk werd dat werkneemster niet aan de opdracht tot het overdragen van de tien klanten zou voldoen, is haar dezelfde dag ontslag op staande voet aangezegd. Aan de onverwijldheidseis is voldaan. Daarnaast is sprake van een dringende reden. Wanneer MT&V een gegronde reden heeft om te vermoeden dat haar bedrijfsvoering gevaar loopt, bijvoorbeeld wanneer zij dreigt (grote) klanten te verliezen aan een concurrent, mag zij ter voorkoming daarvan maatregelen treffen. In dit geval was de dreiging klanten te verliezen gelegen in de situatie en het handelen van een van haar werknemers. MT&V had daarvoor meerdere aanwijzingen, zoals het feit dat werkneemster naar een bedrijfsevenement was gegaan van D, het feit dat zij meerdere van haar klanten reeds had verteld van haar overstap en het feit dat werkneemster aanvankelijk liet weten niet meer gemotiveerd te zijn voor haar werk. MT&V mocht haar werkneemster – mede gelet op de belangen van MT&V en de situatie waarin partijen zich op dat moment bevonden, met de nog lopende discussie over het concurrentiebeding – aanspreken op haar gedrag en de geëigende maatregelen treffen. Dit geldt nog meer nu werkneemster in het overleg met MT&V, nadat haar voorstel te gaan werken op de ‘markt’ Industriële Automatisering was afgewezen, de bal bij MT&V heeft gelegd om tot een oplossing te komen, terwijl juist van werkneemster had mogen worden verwacht dat ze met een voorstel zou komen. De opdracht om de tien klanten over te dragen aan een collega is in dat kader te zien als een redelijke en proportionele opdracht.

Concurrentiebeding

Uit het voorgaande volgt dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van MT&V, zodat het (primaire) beroep van werkneemster op artikel 7:653 lid 4 BW niet slaagt. Subsidiair beroept werkneemster zich op lid 3 onderdeel b van genoemd artikel, zodat enerzijds de belangen van MT&V, die haar bedrijfsdebiet wil afschermen, moeten worden gewogen tegenover anderzijds de belangen van werkneemster om zich vrij te kunnen bewegen op de arbeidsmarkt, inkomen te verwerven en zich verder te ontplooien. Ter zitting heeft MT&V desgevraagd opnieuw toegezegd dat werkneemster wat MT&V betreft op andere ‘markten’ dan Bouw & Infra aan de slag mag, zoals bijvoorbeeld de markt Olie en Gas. Gelet op de belangen van beide partijen zal daarom het concurrentiebeding deels worden vernietigd, in die zin dat werkneemster in dienst kan treden bij D, zolang het een andere businessunit (en specialisaties) betreft dan Bouw & Infra. Daarbij speelt overigens mee dat wat betreft de vrees voor het benaderen of meenemen van klanten van MT&V, dit voldoende is afgedekt door het in de arbeidsovereenkomst met MT&V opgenomen relatie- en boetebeding.