Rechtspraak
Federatie Nederlandse Vakbeweging c.s./werkgeverRechtbank Noord-Nederland, 18 april 2017
Federatie Nederlandse Vakbeweging c.s./werkgever
Feiten
Bij werkgever is de cao voor het Metaalverwerkingsbedrijf van kracht. Vakbondsleden, werkzaam bij werkgever, hebben in het najaar van 2015 een verzoek ingediend om de vakbondscontributie te verrekenen. Werkgever heeft dit verzoek afgewezen. FNV en CNV vorderen nakoming, met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2015, van artikel 39 en bijlage 10 van de cao Metaal & Techniek zoals deze vanaf 1 maart 2015 geldt.
Oordeel
In deze zaak gaat het om de uitleg van artikel 39 van de huidige cao. De kantonrechter stelt voorop dat bij de uitleg van een cao de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die cao, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. De kantonrechter is van oordeel dat artikel 39 van de toepasselijke cao aldus dient te worden uitgelegd dat op de werkgever, ten aanzien van het jaar 2015, geen verplichting rust de vakbondscontributie te verrekenen met het brutoloon. In de eerste volzin van artikel 39 is namelijk bepaald dat de werkgever het verzoek tot verrekening van de vakbondskosten met het brutoloon kan inwilligen. In de derde volzin is vervolgens bepaald dat indien de werkgever het verzoek niet inwilligt, hij een studiedag van de werknemer dient door te betalen. De tweede alinea bepaalt voorts dat ‘in afwijking van bovenstaande’, ofwel in afwijking van de eerste alinea, partijen voor het jaar 2015 aanbevelen dat dat de werknemer bij de werkgever in verband met de vergoeding van de vakbondscontributie een verzoek kan indienen tot verrekening van deze kosten met het brutoloon. Uit de bewoordingen ‘in afwijking van het bovenstaande’ volgt dat ten aanzien van het jaar 2015 wordt afgeweken van de verplichting van de werkgever om een studiedag van de werknemer door te betalen indien hij het verzoek tot verrekening van de vakbondscontributie niet inwilligt. Verder is ten aanzien van het jaar 2015 slechts aanbevolen om het verzoek tot verrekening van de vakbondscontributie door te betalen. In de tweede alinea van artikel 39 van de cao is niet opgenomen dat de werkgever verplicht is om het verzoek van de werknemer in te willigen, zoals in artikel 38 van de tot 1 maart 2015 geldende cao. De uitleg van de kantonrechter strookt ook met de bepalingen in het principeakkoord, welk document aan de cao ten grondslag ligt. Hierin is bepaald dat cao-partijen voor het jaar 2015 een aanbeveling in de cao opnemen om de gehele vakbondscontributie binnen de fiscale vrijstelling van de WKR op te nemen voor zover er nog ruimte beschikbaar is. Uit deze bepalingen leidt de kantonrechter af dat de keuzemogelijkheid vanaf het jaar 2016 geldt en dat er voor het jaar 2015 geen sprake is van een verplichting tot de verrekening van de vakbondscontributie, maar enkel van een aanbeveling daartoe. Het feit dat tot het jaar 2015 op grond van de voorgaande cao de werkgever steeds verplicht was om het verzoek tot verrekening van de vakbondscontributie in te willigen en werkgever deze verzoeken ook steeds heeft ingewilligd, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. De situatie ten aanzien van de mogelijkheden tot verrekening is immers gewijzigd. Als onbetwist staat vast dat tot het jaar 2015 een fiscale vrijstelling bestond voor de vakbondscontributie en dat door de invoering van de WKR de vakbondscontributie niet langer onder de vrijstellingen valt. Indien de vrije ruimte is besteed, betaalt een werkgever over de netto vergoeding aan de werknemer nog een eindheffing van 80% aan de Belastingdienst. De conclusie is dat de vorderingen van FNV en CNV zullen worden afgewezen.