Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 11 mei 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:4347
werknemer/Hafra Bouwdetacheringen B.V.
Feiten
Hafra is een uitzendonderneming die zich bezighoudt met het te werk stellen van arbeidskrachten in de bouwsector. Hafra en werknemer hebben mondeling een uitzendovereenkomst gesloten op grond waarvan werknemer met ingang van 19 februari 2016 in de functie van calculator is tewerkgesteld bij de inlener, Aannemersbedrijf Landgraaf B.V. Bij brief van 16 januari 2017 heeft Aannemersbedrijf Landgraaf B.V. de opdracht beëindigd tegen 19 januari 2017. Bij brief van 19 januari 2017 heeft Hafra de uitzendovereenkomst met werknemer per direct beëindigd op grond van artikel 7:691 lid 2 BW. Werknemer verzoekt primair een billijke vergoeding van € 15.000 bruto en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4826,24 bruto.
Oordeel
Door Hafra is een schriftelijke uitzendovereenkomst, inclusief een beding als bedoeld in artikel 7:691 lid 2 BW in het geding gebracht. Vast staat dat die overeenkomst door partijen niet is ondertekend. Derhalve is niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van dat artikel. Hafra kan zich dus niet met succes op dat beding beroepen. Hieruit volgt dat Hafra op 19 januari 2017 heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Uit de gedingstukken blijkt dat dit tussen partijen niet in geding is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de arbeidsovereenkomst na 19 januari 2017 is voortgezet doordat Hafra met instemming van werknemer is teruggekomen van de opzegging. Die vraag beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Hij overweegt daartoe als volgt. Aanvankelijk heeft werknemer aan Hafra verzocht om wedertewerkstelling in de bedongen arbeid. Volgens Hafra heeft zij vervolgens dit aanbod van werknemer aanvaard zodat er sprake is van wilsovereenstemming dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd als gevolg van de opzegging. Dit betoog moet worden verworpen. Uit het feit dat Hafra na 19 januari 2017 de mogelijkheid te berde heeft gebracht dat zij werknemer passende werkzaamheden had willen aanbieden, blijkt niet dat Hafra de opzegging heeft ingetrokken. De hypothetische mogelijkheid van werkhervatting bracht Hafra namelijk slechts ter sprake in het kader van tussen partijen gevoerde onderhandelingen om tot een minnelijke regeling te komen. Een regeling tussen partijen is evenwel niet tot stand gekomen en Hafra heeft op geen enkel moment een (onvoorwaardelijk) aanbod tot werkhervatting gedaan. Hafra wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 4826,24 bruto
Billijke vergoeding
Hafra heeft in strijd met artikel 7:671 BW de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd. Ingevolge artikel 7:681 lid 1 BW kan in een dergelijke situatie een billijke vergoeding worden toegekend. De billijke vergoeding heeft een punitief karakter. Blijkens de wetsgeschiedenis staat de hoogte van deze additionele vergoeding in relatie tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Ter zitting is komen vast te staan dat Hafra aan werknemer een schriftelijke uitzendovereenkomst heeft verstrekt waarin het uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 lid 2 BW was opgenomen. Werknemer heeft die overeenkomst niet ondertekend omdat hij naar eigen zeggen bezwaren had tegen ‘de opzet’ daarvan. Tegen het uitzendbeding zelf had hij geen bezwaar, aldus werknemer. De kantonrechter stelt vast dat partijen het dus feitelijk eens waren over het uitzendbeding. Voorts verkeerde Hafra ten tijde van de opzegging (onbetwist) in de veronderstelling dat het beding wel schriftelijk overeengekomen was. Op grond van deze overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat een ten laste van Hafra komende billijke vergoeding slechts een geringe punitieve werking dient te hebben. Omdat voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de gefixeerde schadevergoeding kan worden verdisconteerd in de billijke vergoeding, is de kantonrechter van oordeel dat de aan werknemer toe te wijzen billijke vergoeding op nihil gesteld dient te worden. Aan hem wordt immers reeds een gefixeerde vergoeding van € 4826,24 bruto toegewezen.