Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Inepro B.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 4 juli 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:4989

werknemer/Inepro B.V.

Werknemer niet-ontvankelijk in verzoek tot toekenning transitievergoeding wegens verstrijken vervaltermijn. Toepassing vervaltermijn niet in strijd met redelijkheid en billijkheid of artikel 6 EVRM. Goed werkgeverschap niet van toepassing.

Feiten

In de tussenbeschikking van 24 mei 2017 op het verzoek van werknemer om een transitievergoeding te ontvangen, is geconstateerd dat de arbeidsovereenkomst van werknemer is geƫindigd op 14 december 2016. Gezien de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onderdeel b BW, zou derhalve de laatste dag om een verzoekschrift in te dienen 14 maart 2017 zijn. Het verweerschrift is buiten de vervaltermijn door de kantonrechter ontvangen op 15 maart 2017. Bij tussenbeschikking van 24 mei 2017 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Vast staat dat Inepro, zoals is overwogen in de tussenbeschikking, aan het einde van het dienstverband de transitievergoeding aan werknemer had moeten betalen, nu hij exact twee jaar in dienst is geweest.

Oordeel

Uitgangspunt is dat overschrijding van de vervaltermijn ertoe leidt dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt. Werknemer stelt dat toepassing van de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat kader moet getoetst worden of sprake is van klemmende redenen waardoor werknemer niet binnen de termijn een verzoek heeft ingediend of kon indienen. Daarbij moet worden opgemerkt dat, zeker bij een vervaltermijn, terughoudendheid op zijn plaats is. Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt werknemer slechts dat Inepro heeft aangestuurd op het verstrijken van de vervaltermijn omdat zij hem tot 9 maart 2017 aan het lijntje heeft gehouden, waardoor werknemer feitelijk maar vijf dagen heeft gehad om een verzoekschrift in te dienen, en dat Inepro werknemer niet heeft gewaarschuwd voor de vervaltermijn. Uitsluitend het verstrijken van tijd en het niet wijzen op de vervaltermijn maakt nog niet dat sprake is van klemmende redenen waardoor werknemer het verzoek niet heeft ingediend of niet kon indienen. De door werknemer aangedragen omstandigheden zijn niet dermate uitzonderlijk dat toepassing van de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat de specifieke regeling van artikel 7:686a BW jo. 7:673 BW niet kan worden aangevuld met de generieke toets van goed werkgeverschap. Voor wat betreft het beroep van werknemer op artikel 6 EVRM wordt als volgt geoordeeld. Van een situatie zoals door werknemer geschetst, namelijk dat hij geen of onvoldoende toegang tot de rechter heeft gehad, is geenszins sprake. Werknemer is gedurende drie maanden in de gelegenheid geweest om zich tot de kantonrechter te wenden. Van omstandigheden waaruit zou blijken dat hij daartoe niet in staat is geweest, is niet gebleken. Het beroep op artikel 6 EVRM slaagt derhalve niet. Werknemer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.