Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 31 mei 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:4937
werkneemster/Stichting Esdégé-Reigersdaal
Feiten
Werkneemster is op 1 november 2001 in de functie van cliëntbegeleider in dienst getreden bij Stichting Esdégé-Reigersdaal (hierna: Esdégé-Reigersdaal). Werkneemster is op 7 maart 2012 ziek geworden en tot oktober 2013 heeft een re-integratietraject in haar eigen functie plaatsgevonden. Per 24 februari 2014 heeft Esdégé-Reigersdaal werkneemster verzocht niet meer op locatie De Otter aanwezig te zijn. Op 5 maart 2014 is werkneemster volledig hersteld gemeld. Tussen partijen heeft op 1 juli 2014 een bespreking plaatsgevonden, waarbij partijen zijn overeengekomen dat werkneemster haar functie van cliëntbegeleider gaat uitoefenen binnen het cluster De Zeemeeuw in Den Helder en Julianadorp met ingang van 18 juli 2014. Op 5 maart 2015 heeft werkneemster zich opnieuw ziek gemeld en per 1 december 2015 is aan haar een WIA-uitkering verleend op basis van 57,04% arbeidsongeschiktheid. De vraag die thans bij de kantonrechter ter beantwoording ligt is of Esdégé-Reigersdaal na 1 maart 2014 gehouden is tot loondoorbetaling aan werkneemster. Aan de vordering legt werkneemster ten grondslag dat zij na haar uitval in 2012 vanaf 18 juli 2014 tot medio maart 2015 haar oorspronkelijk bedongen arbeid van cliëntbegeleider fulltime is gaan verrichten, waarbij werd afgesproken dat zij geen slaapdiensten zou hebben. Gelet op het bepaalde in artikel 7:629 lid 10 BW is volgens werkneemster een nieuw recht op loondoorbetaling ontstaan.
Oordeel
De stelling van werkneemster dat zij vanaf 18 juli 2014 haar oorspronkelijk bedongen werkzaamheden als cliëntbegeleider fulltime is gaan verrichten en dat dit meer dan vier weken heeft geduurd, wordt door Esdégé-Reigersdaal betwist. Hierover wordt het volgende overwogen. Na een ziekteperiode is werkneemster op 24 februari 2014 door het UWV in staat geacht haar eigen werk te verrichten behoudens kleine aanpassingen. Vervolgens is zij met ingang van 5 maart 2014 volledig hersteld gemeld. Nu werkneemster voor de volle omvang hersteld is gemeld, en Esdégé-Reigersdaal kennelijk geen aanleiding zag om de bedrijfsarts te laten toetsen of zij volledig arbeidsgeschikt was én werkneemster niet binnen vier weken na hersteldmelding is uitgevallen wegens ziekte, is een nieuw recht op loondoorbetaling per 5 maart 2015 ontstaan. Dat Esdégé-Reigersdaal bezwaar heeft aangetekend tegen het besluit van het UWV, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien dit bezwaar ongegrond is verklaard. Ook maakt het feit dat werkneemster na haar hersteldmelding op 5 maart 2014 geen arbeid heeft verricht het voorgaande niet anders, omdat de oorzaak daarvan is gelegen in de omstandigheid dat Esdégé-Reigersdaal haar niet toeliet tot het werk op locatie De Otter. De kantonrechter is aldus van oordeel dat werkneemster vanaf 5 maart 2014 geschikt was de overeengekomen arbeid te verrichten en dat de oorzaak dat zij deze niet heeft verricht in redelijkheid voor rekening van Esdégé-Reigersdaal komt. Het voorgaande betekent dat Esdégé-Reigersdaal gehouden is tot loondoorbetaling gedurende 104 weken na 5 maart 2014. De gevorderde wettelijke verhoging is eveneens toewijsbaar, omdat de niet-betaling van het loon binnen de risicosfeer van Esdégé-Reigersdaal ligt. De kantonrechter ziet evenwel met het oog op de gegeven omstandigheden aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 25%.
Overige vorderingen
Werkneemster vordert verder uitbetaling van 36 niet opgenomen vakantie-uren uit 2014. Werkneemster was gedurende 2014 en de eerste zes maanden van 2015 niet volledig arbeidsongeschikt en zij was eveneens niet vrijgesteld van de verplichting tot re-integratie. Van het redelijkerwijze niet kunnen opnemen van vakantie-uren is dan ook geen sprake. Nu ook niet is gesteld of gebleken dat bij schriftelijke overeenkomst ten guste van werkneemster is afgeweken van de termijn van zes maanden, is de aanspraak met betrekking tot de vakantie-uren over 2014 vervallen. Ten slotte vordert werkneemster dat Esdégé-Reigersdaal wordt bevolen om haar te laten re-integreren in haar eigen functie op een wijze als aangegeven door werkneemster en om, met dat doel, mee te werken aan een arbeidskundig onderzoek door een arbeidskundige van het UWV. De kantonrechter wijst de vordering af wegens het ontbreken van een verklaring van een deskundige, nu tussen partijen in geschil is of re-integratie van werkneemster in haar eigen functie mogelijk is.