Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 18 juli 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:5949
werknemer/VTG Beton B.V.
Feiten
Werknemer is op 3 oktober 2011 in dienst getreden bij VTG. Op 2 september 2016 heeft werknemer zich ziek gemeld in verband met klachten aan zijn rechterpols. Op 3 november 2016 heeft VTG aan werknemer een waarschuwing gestuurd omdat hij meermalen niet bereikbaar was tijdens werkuren. Naar aanleiding van meldingen van andere medewerkers van VTG en onderzoek op social media is bij VTG twijfel ontstaan over de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer. VTG heeft onderzoeksbureau 2Solve Investigations (hierna: 2Solve) ingeschakeld om hiernaar onderzoek te verrichten. 2Solve heeft werknemer op 1, 2 en 6 december 2016 tijdens werkuren op de openbare weg/voor publiek toegankelijke plaatsen geobserveerd. 2Solve heeft onder meer waargenomen dat (1) werknemer meermalen een auto bestuurt met een reguliere versnellingsbak en met de rechterhand de versnellingspook bedient, (2) hij in het dagelijks leven geen brace draagt, de brace is slechts eenmaal waargenomen, (3) hij meermalen met zijn rechterhand de voordeur van zijn woning heeft geopend door het omdraaien van een sleutel in het slot en met zijn rechterhand andersoortige handelingen heeft verricht, zoals het tanken van brandstof en (4) hij meerdere malen met zijn linkerarm/hand dan wel met een combinatie van zijn linkerarm/hand en rechterarm/hand goederen heeft opgetild. Op 8 december 2016 is werknemer door VTG op staande voet ontslagen.
Oordeel
Bij de beoordeling van de verzoeken van werknemer stelt de kantonrechter voorop dat de inhoud van het onderzoeksrapport van 2Solve en de daarin omschreven waarnemingen en verklaringen zoals afgelegd door werknemer, door hem niet worden betwist. Het gaat in deze zaak thans om de vraag of aan werknemer een billijke vergoeding dient te worden toegekend op grond van artikel 7:681 BW. Daarnaast is aan de orde de vraag of VTG moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Voor beantwoording van de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, is in de eerste plaats de vraag aan de orde of sprake is van een dringende reden. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervan in het onderhavige geval sprake. Op grond van het ter zitting verhandelde en de overige inhoud van het dossier staat vast dat werknemer niet eerlijk is geweest over zijn beperkingen als gevolg van de door hem ondergane operatie aan zijn rechterpols.Daarnaast heeft hij onjuiste verklaringen afgelegd tegenover medewerkers van 2Solve over zijn beperkingen en zijn inzetbaarheid. Het bij herhaling liegen tegenover de werkgever over inzetbaarheid levert een dringende reden voor ontslag op. Het door werknemer gedane beroep op het sanctiekader van artikel 7:629 BW faalt, nu de reden voor het ontslag op staande voet niet gelegen is in het niet-nakomen van de integratieverplichtingen maar in het verstrekken van onjuiste informatie aan de werkgever. Nu er geen sprake is van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, is er ook geen grond om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW. Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding zal worden afgewezen. Ook de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden afgewezen. Op grond van artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval ook een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. Dat betekent dat de transitievergoeding niet verschuldigd is en het verzoek van de werknemer zal worden afgewezen. De kantonrechter wijst de verzoeken af.