Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 11 juli 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:5960
Stichting verenigde scholen J.A. Alberdingk Thijm Voortgezet Onderwijs/werkneemster
Feiten
Werkneemster is bij ATC voor onbepaalde tijd in dienst in de functie van leraar. Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de cao VO van toepassing. Op 12 januari 2015 heeft de Centrale Commissie van Beroep voor het Katholiek Voortgezet Onderwijs uitspraak gedaan naar aanleiding van een door werkneemster ingediend beroepschrift tegen het besluit van ATC om haar voor het schooljaar 2014/2015 minder dan 50% van haar lessen in de bovenbouw te geven, waardoor haar het entreerecht wordt onthouden. De Commissie van Beroep heeft het beroep van werkneemster ongegrond verklaard. De kantonrechter heeft in haar vonnis voor recht verklaard dat ATC in strijd handelt met de regels van goed werkgeverschap door de bij werkneemster gewekte verwachtingen niet te honoreren en werkneemster ingaande 1 augustus 2014 minder dan 50% lessen in de bovenbouw havo/vwo toe te delen waardoor haar het entreerecht/benoeming in een LD-functie wordt onthouden. De grieven van ATC richten zich vanuit verschillende invalshoeken tegen het oordeel van de kantonrechter. Zij beogen de vraag of ATC heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door werkneemster per 1 augustus 2014 minder dan 50% lesuren in de bovenbouw havo/vwo toe te delen in volle omvang aan het hof voor te leggen.
Oordeel
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de vraag of werkneemster vanaf 1 augustus 2014 recht heeft op een LD-functie dient te worden beoordeeld naar de cao die op die datum gold. Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof voorop dat indien werkneemster er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat aan haar (ook) per 1 augustus 2014 50% of meer lesuren zouden worden toebedeeld in de bovenbouw havo/vwo, zich de situatie kan voordoen dat ATC heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door die verwachting niet te honoreren. Het hof oordeelt dat geen sprake is van een situatie dat werkneemster er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij ook in 2014/2015 50% of meer van haar lesuren in de bovenbouw toebedeeld zou krijgen. Voor het hof is voldoende aannemelijk dat werkneemster door toevallige omstandigheden in de jaren 2012/2013 en 2013/2014 extra bovenbouwuren heeft gekregen. Niet kan worden vastgesteld en evenmin is door werkneemster (voldoende onderbouwd) aangevoerd dat zonder die extra uren zij in die jaren ook aan de 50%-norm zou hebben voldaan. Alleen in 2011/2012 heeft werkneemster zonder bijkomende omstandigheden (net) aan die norm voldaan. In aanmerking nemend dat werkneemster in de jaren vóór 2011/2012 telkens niet aan die norm voldeed is het hof niet van oordeel dat, objectief bezien, werkneemster er dan op mocht rekenen dat zij 2014/2015 50% of meer lesuren in de bovenbouw toebedeeld zou krijgen. Daar doet niet aan af dat werkneemster mogelijk niet bekend was met de omstandigheid dat het pas laat bekend worden van de terugkeer van B haar in 2013/2014 extra bovenbouwuren heeft bezorgd. Zij mag in ieder geval bekend verondersteld worden met de omstandigheid dat het door B in 2012/2013 opgenomen sabbatical haar dat jaar extra bovenbouwuren had opgeleverd. De stelling van werknemer dat ATC bij de urentoedeling voor 2014/2015 heeft gehandeld op een wijze die jegens werkneemster in strijd is met goed werkgeverschap wordt niet gevolgd. Het bestreden vonnis wordt vernietigd.