Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 25 juli 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:2096
X/Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Delfland
Feiten
X heeft via zijn eenmanszaak, Y, zaken gedaan met Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Delfland (hierna: GGZ Delfland). Werknemer A was bij GGZ Delfland in dienst als manager frontoffice en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de inkoop van ICT-diensten. A is op 27 april 2011 op staande voet ontslagen, omdat hij via Y onder meer een Leica-lens en een TomTom heeft aangeschaft voor privégebruik en dat Y daarvoor facturen aan GGZ Delfland heeft gestuurd. GGZ Delfland vordert een verklaring voor recht dat X toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de contractuele verplichtingen jegens GGZ Delfland, althans dat X onrechtmatig heeft gehandeld jegens GGZ Delfsland en dat hij deswege hoofdelijk aansprakelijk is voor de daaruit voor GGZ Delfland ontstane schade. De kantonrechter heeft de vorderingen van GGZ Delfland toegewezen. Tegen dit vonnis komt X in hoger beroep.
Oordeel
Vast staat dat A in de periode 2009/2010 een eigen bedrijf (de eenmanszaak Casa Tinin) heeft gehad, dat op 14 oktober 2009 in het handelsregister is ingeschreven. De eenmanszaak van X, Y, is op 2 oktober 2009 ingeschreven. Voorts staat vast dat A en Y elkaar reeds voor die tijd kenden: Y was eerder werkzaam voor het bedrijf Infotheek en vervolgens voor het bedrijf Data Wells. Hij had in die hoedanigheid nauw contact met A. Daarnaast bestond er een vriendschappelijke relatie tussen hen. Uit het rapport Hoffmann blijkt voorts dat er zakelijke banden bestonden tussen Y en Casa Tinin en dat Y betalingen aan Casa Tinin deed. X heeft ook niet bestreden dat A (namens Casa Tinin) facturen aan Y stuurde ter zake van aan Y geleverde goederen of diensten, welke Y vervolgens aan GGZ Delfland leverde.
De overgelegde stukken wijzen voorshands erop dat A persoonlijk profiteerde van de transacties tussen GGZ Delfland en Y en daardoor – mogelijk – schade toebracht aan GGZ Delfland. Daarmee is echter nog niet gegeven dat X ook onrechtmatig handelde jegens GGZ Delfland. Daarvoor is in ieder geval noodzakelijk dat X ervan op de hoogte was dat A persoonlijk profiteerde van de transacties tussen Y en GGZ Delfland. In dat geval kan van X – als zakenrelatie van GGZ Delfland – worden verwacht dat hij niet meewerkt aan het onrechtmatig handelen van A. Uit de stellingen van GGZ Delfland blijkt dat zij X (in ieder geval) verwijt dat hij actief heeft meegewerkt aan de bedoelde (frauduleuze) transacties. Het rapport Hoffmann bevat ook wel aanwijzingen dat hiervan sprake is geweest.
De conclusie van het vorenstaande is dat de grieven van X falen voor zover hij hierin betoogt dat er sprake was van een normale zakelijke samenwerking met A en ook voor zover daarin ligt besloten dat er geen aanwijzingen zijn voor onrechtmatig handelen van X. De grieven zijn echter gegrond voor zover daarin wordt geklaagd dat daarmee nog niet vaststaat of en zo ja in hoeverre X onrechtmatig heeft gehandeld. Naar het hof begrijpt is GGZ Delfland van mening dat het – gezien de gestelde omvang van de fraude – vrijwel onmogelijk is om in de processtukken een volledige opsomming te geven van alle fraudegevallen. Zij heeft daarom volstaan met het geven van diverse voorbeelden. Voor de nadere onderbouwing en voor een uitputtende opsomming van alle frauduleuze facturen heeft GGZ Delfland verwezen naar het rapport Hoffmann en (in hoger beroep) naar het dossier in de tegen X ingestelde strafzaak. Uit deze stukken komt inderdaad een beeld naar voren waarin A en X stelselmatig hebben samengespannen om GGZ Delfland onrechtmatig te benadelen. Het hof heeft desalniettemin een nadere toelichting van GGZ Delfland nodig over de vraag op welke fraude-incidenten haar vordering ziet (art. 22 Rv). Het hof verzoekt daarom en om redenen van proceseconomie – het voorkomen van afzonderlijke procedures over de afzonderlijke onrechtmatige daden – GGZ Delfland nader toe te lichten hoe haar vordering van € 431.620 is opgebouwd. Dat wil zeggen dat zij nader dient te specificeren op welke facturen haar vordering betrekking heeft, dat zij dient toe te lichten waarop ieder van deze facturen ziet (wat zou er aan GGZ Delfland zijn geleverd?), alsmede waarom de facturen frauduleus zijn en waarom X (naast A) aansprakelijk is. Voorts dient zij toe te lichten – per factuur – in hoeverre zij schade heeft geleden als gevolg van deze fraude, alsmede hoe hoog deze schade is. Voor het hof is het thans nog niet duidelijk in hoeverre het zinvol is om de hoogte van de schade in een afzonderlijke schadestaatprocedure vast te laten stellen. De zaak wordt naar de rol verwezen zodat GGZ Delfland een memorie kan nemen. X kan vervolgens hierop reageren. Indien partijen daaraan behoefte hebben, worden zij uitgenodigd het (volledige) procesdossier (nogmaals) te fourneren.