Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Zorggroep Groningen
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 11 september 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:7918

werkneemster/Stichting Zorggroep Groningen

Werkneemster heeft ten onrechte geweigerd om vanwege het door haar ervaren arbeidsconflict instructies van werkgever in het kader van re-integratie op te volgen. Ontslag op staande voet houdt stand.  

Feiten

Werkneemster is in 1996 krachtens arbeidsovereenkomst bij ZGG in dienst getreden, laatstelijk in de functie van verzorgende gedurende 21 uur per week. Na een ziekteperiode van 18 april 2008 tot 1 februari 2009 heeft werkneemster zich op 22 juni 2011 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten (burn-out). Op 13 mei 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, waarbij ZGG heeft voorgesteld om het dienstverband door middel van een vaststellingsovereenkomst te beëindigen. Nadat dit overleg niet tot resultaat had geleid en het UWV op een verzoek van werkneemster had geoordeeld dat ZGG tekort was geschoten in haar re-integratie-inspanningen, heeft ZGG de re-integratie verder opgepakt. Bij brief van 15 maart 2016 heeft ZGG werkneemster uitgenodigd voor een gesprek op 17 maart 2016 over het arbeidsdeskundig rapport en het vervolgtraject. Werkneemster heeft ZGG bericht niet te zullen komen. Daarna zijn meerdere afspraken gemaakt tussen werkneemster en ZGG, waarop werkneemster, na afmelding, niet is verschenen. Op 7 juli 2016 heeft het UWV geoordeeld dat werkneemster onvoldoende meewerkt aan haar re-integratie. Op 1 augustus 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen ZGG en werkneemster. Bij die gelegenheid heeft ZGG toegezegd mediation te zullen entameren met betrekking tot het door werkneemster ervaren arbeidsconflict. Werkneemster is daar niet mee akkoord gegaan. Zij wenste eerst aan re-integratie te beginnen als het door haar ervaren arbeidsconflict uit de wereld was. Zij is niet op het aansluitend geplande gesprek met haar nieuwe leidinggevende verschenen. Op 5 augustus 2016 heeft ZGG werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft vernietiging van het ontslag op staande voet verzocht, de kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van werkneemster afgewezen.

Oordeel

In de grieven I tot en met IV komt werkneemster op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet op goede gronden is gegeven. Aan het ontslag op staande voet heeft ZGG ten grondslag gelegd dat werkneemster herhaaldelijk niet heeft voldaan aan haar gegeven redelijke instructies om gesprekken te voeren over haar re-integratie en het aanvangen van passende werkzaamheden gericht op haar re-integratie. Gelet op de verplichting die op een werkgever rust om de re-integratie van een werknemer te bevorderen (art. 7:658a BW) is voor het hof uitgangspunt dat uitnodigingen voor gesprekken over re-integratie in beginsel redelijke instructies vormen en dat een werknemer gelet op diens verplichting om medewerking te verlenen aan de re-integratie, in beginsel gehouden is om aan dergelijke uitnodigingen gevolg te geven. Het verweer van werkneemster komt erop neer dat in dit geval die instructies niet redelijk waren, omdat de bedrijfsarts in zijn bericht van 26 februari 2016 heeft aangegeven dat pas met re-integratie kon worden begonnen, nadat eerst het arbeidsconflict was opgelost. Uit de omstandigheid dat ZGG het functioneren van werkneemster onder de maat zou hebben gevonden en (kort) na haar ziekmelding op 5 maart 2015 aan werkneemster heeft gevraagd om een medische verklaring dat zij niet tot reizen in staat was, kan naar het oordeel van het hof, objectief bezien, echter nog niet worden afgeleid dat ZGG het vertrouwen in werkneemster zou hebben opgezegd, en dat ook in de beleving van ZGG een conflict met werkneemster bestond. Het hof is daarom niet van oordeel dat het door werkneemster ervaren arbeidsconflict ZGG ertoe had moeten brengen anders te handelen dan zij heeft gedaan. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat werkneemster ten onrechte heeft geweigerd om vanwege het door haar ervaren arbeidsconflict in te gaan op de aan haar gerichte uitnodigingen om te komen praten en heeft zij daardoor niet voldaan aan de op haar rustende verplichting om mee te werken aan haar re-integratie. De grieven I tot en met IV falen. In het oordeel dat ZGG werkneemster op goede gronden op staande voet heeft ontslagen, ligt besloten dat grief V, die zich keert tegen de afwijzing door de kantonrechter van het (subsidiaire) verzoek om een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW, faalt. Grief VII is gericht tegen de afwijzing van de loonvordering over de periode van 2 mei 2016 tot de datum van ontslag. Werkneemster heeft bij haar vordering echter niet gevoegd een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW, omtrent de nakoming door haar van haar re-integratieverplichtingen. Grief VII is derhalve ongegrond. Het hof is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen over het (terecht) op staande voet gegeven ontslag, met de kantonrechter van oordeel dat het ontslag moet worden geweten aan ernstig verwijtbaar gedrag van werkneemster, zodat op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW ZGG de transitievergoeding niet verschuldigd is. Het hoger beroep faalt derhalve.