Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 12 september 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:2498
Maersk BV/erfgenamen van werknemer
Feiten
Werknemer heeft gedurende de periode van 1955 tot 1964 gewerkt bij (de rechtsvoorganger van) Maersk. In februari 2012 is bij werknemer de diagnose mesothelioom gesteld. Op 19 maart 2013 is werknemer overleden aan de gevolgen van mesothelioom. De erfgenamen van werknemer vorderen onder meer een verklaring voor recht dat Maersk jegens werknemer toerekenbaar tekort is geschoten en daardoor jegens de erven schadeplichtig is geworden. Maersk heeft gemotiveerd verweer gevoerd en beroept zich primair op verjaring. Bij tussenvonnis van 22 mei 2015 heeft de kantonrechter het verzoek van de erven toegewezen. Het beroep op verjaring van Maersk is verworpen. Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de kantonrechter op verzoek van Maersk hoger beroep opengesteld tegen het bestreden tussenvonnis.
Oordeel
(On)aanvaardbaarheid van het verjaringsberoep; gezichtspunten uit Van Hese/De Schelde
Maersk komt terecht op tegen de weging door de kantonrechter van de gezichtspunten (a) tot en met (f) uit de gezichtspuntencatalogus van het Van Hese/De Schelde-arrest, en het oordeel dat Maersk geen beroep op verjaring toekomt. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Alleen gezichtspunt (d), te weten het rekening (behoren te) houden door Maersk met een aansprakelijkstelling, pleit ten gunste van een doorbreking van het verjaringsberoep. Maersk had ook vóór het verstrijken van de verjaringstermijn in 1994 rekening moeten houden met de mogelijkheid dat zij door oud-werknemers aansprakelijk zou worden gesteld. Maersk (althans haar rechtsvoorganger VNS) was vanaf 1969 – het proefschrift van Stumphius – op de hoogte van de relatie tussen asbest en mesothelioom en zij had relevant bewijsmateriaal kunnen vastleggen en/of bewaren. Bovendien werden vanaf eind jaren ’80, begin jaren ’90 werkgevers aansprakelijk gesteld wegens blootstelling van hun oud-werknemers aan asbest. VNS had als grote rederij, en terwijl zij wist dat in de machinekamers van de schepen met asbest werd gewerkt, al in die jaren een risico-inventarisatie kunnen maken van haar mogelijke asbestaansprakelijkheid. Dit geldt te meer jegens werknemer, nu de functie van werktuigkundige op schepen voorkomt op de lijst van beroepen (bijlage C) bij de Protocollen asbestziekten: maligne mesothelioom (1998) van de Gezondheidsraad. Dit is echter onvoldoende om het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ter afwering van de verjaring te honoreren. De overige elementen die volgens de gezichtspuntencatalogus van de Hoge Raad van belang zijn, leggen immers te weinig gewicht in de schaal omdat zij als neutraal zijn meegewogen (de gezichtspunten (a), (b), (e), (f) en (g), terwijl voorts voor het hof met name zwaar weegt ten nadele van de doorbreking de omstandigheid dat Maersk, op basis van wat in deze zaak als vaststaand heeft te gelden, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de schade (gezichtspunt (c)). Al vóór 1964 (het laatste jaar waarin werknemer als werktuigkundige op schepen van VNS voer en in contact kwam met asbest) bestond bekendheid over de mogelijke ingrijpende gezondheidsproblemen die inademing van asbestvezels kon veroorzaken. Uit de door partijen genoemde wetenschappelijke literatuur volgt dat men vanaf de jaren vijftig bekend was met de gezondheidsrisico’s die bestonden in geval van een langdurige en intensieve blootstelling aan asbestvezels, leidend tot ziekten als asbestose en longkanker. Pas later is duidelijk en algemeen bekend geworden dat zelfs een incidentele blootstelling aan asbest al gezondheidsrisico’s met zich brengt, mogelijk leidend tot de ziekte maligne mesothelioom. Waar de relatie tussen asbest enerzijds en asbestose en longkanker anderzijds dus al langer algemeen bekend was, neemt het hof voor de bekendheid met de relatie tussen asbest en mesothelioom tot uitgangspunt dat deze pas daadwerkelijk is aangetoond in 1969 door de publicatie van het proefschrift van Stumphius. Van VNS mocht niet worden verwacht dat zij tijdens de werkzaamheden op de schepen door werknemer (in de periode van 1955-1964) veiligheidsmaatregelen trof ter voorkoming van mesothelioom als gevolg van blootstelling aan asbest, nu zij redelijkerwijs niet bekend mocht worden verondersteld met dit risico. Maersk kan alleen aansprakelijk worden gehouden, en treft alleen een verwijt, voor het in die periode aan haar onbekende gevaar van mesothelioom als VNS (als rechtsvoorganger van Maersk) is tekortgeschoten in haar verplichting om maatregelen te treffen tegen op dat moment wél bekende gevaren van asbestose en longkanker. Vast staat dat deze gevaren alleen bestonden in geval van een langdurige en intensieve blootstelling aan asbestvezels. Dit betekent dat de erven, op wie volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast en daarmee ook het bewijsrisico rusten, moeten stellen en bewijzen dat werknemer tijdens zijn werkzaamheden voor VNS in de periode van 1955-1964 langdurig en intensief is blootgesteld aan asbestvezels. De vaststelling dat de functie van werktuigkundige, zoals beschreven door werknemer in het IAS rapport, behoort tot de categorie scheepsmachinekamerpersoneel genoemd op de lijst van beroepen (bijlage C) bij de protocollen asbestziekten: maligne mesothelioom (1998) van de Gezondheidsraad, is weliswaar een indicatie dat werknemer tijdens zijn werkzaamheden met asbest in aanraking is gekomen en als gevolg hiervan mesothelioom heeft gekregen, maar hieruit volgt nog niet dat er sprake is geweest van een langdurige en intensieve blootstelling op grond waarvan VNS in de periode 1955-1964 veiligheidsmaatregelen had moeten treffen. Ook uit de eigen verklaringen van werknemer en de verklaringen van oud-zeevarenden, zoals getuige X, kan deze conclusie niet met een voldoende mate van zekerheid worden getrokken. Het is tegen deze achtergrond dat het hof, anders dan de kantonrechter, tot de conclusie komt dat met betrekking tot de blootstelling van werknemer aan asbest van een ernstige verwijtbaarheid van Maersk (en haar rechtsvoorgangers) geen sprake is. Daarbij speelt ook een rol dat werknemer (nog tijdens leven) een TAS-vergoeding heeft gekregen, waarmee het nadeel van het honoreren van het verjaringsberoep van Maersk deels is verzacht. Gelet op al het voorgaande wordt geoordeeld dat het beroep van de erven op doorbreking van de verjaring niet slaagt. Dit betekent dat het beroep van Maersk op verjaring wordt gehonoreerd.