Rechtspraak
werkneemster/UWVRechtbank Rotterdam, 23 mei 2018
werkneemster/UWV
Feiten
Werkneemster is op 15 december 2015 door OnderwijsPost B.V. (hierna: OnderwijsPost) op staande voet ontslagen. Op 20 juni 2016 heeft de kantonrechter bij beschikking geoordeeld dat het door OnderwijsPost gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig was, tegen welke beschikking door werkneemster hoger beroep is ingesteld. Bij beschikking van 13 december 2016 oordeelde het Gerechtshof Den Haag (hierna: het hof), anders dan de kantonrechter, dat werkneemster ten onrechte op staande voet is ontslagen. Aan werkneemster is vervolgens – nadat zij verklaarde geen herstel van de arbeidsovereenkomst te verzoeken – conform het bepaalde in artikel 7:683 lid 3 BW een billijke vergoeding (ad € 34.000) toegekend. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de arbeidsovereenkomst vanwege een verstoorde arbeidsverhouding op 1 juli 2016 zou zijn geëindigd. Het UWV heeft – met inachtneming van de voornoemde overweging van het hof – bij besluit van 21 december 2016 de eerste WW-dag van werkneemster verschoven van 16 december 2015 naar 1 juli 2016. Als gevolg hiervan heeft het UWV een bedrag van € 16.572,67 teruggevorderd. Het bezwaar van werkneemster tegen dit besluit is op 19 juli 2017 ongegrond verklaard. Werkneemster betoogt thans in een beroepsprocedure dat de eerste WW-dag ten onrechte is verschoven van 16 december 2015 naar 1 juli 2016. Daarnaast voert werkneemster aan dat terugvordering onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is.
Oordeel
De rechtbank oordeelt als volgt.
Eerste WW-dag terecht verschoven
Uit de beschikking van het hof volgt dat werkneemster op 15 december 2015 ten onrechte op staande voet is ontslagen. Omdat werkneemster in hoger beroep afzag van het herstellen van de arbeidsovereenkomst, heeft het hof als alternatief hiervoor een billijke vergoeding toegekend. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat de arbeidsovereenkomst vanwege een verstoorde arbeidsverhouding op 1 juli 2016 zou zijn geëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat werkneemster vanaf 1 juli 2016 een verlies aan arbeidsuren had, aangezien met ingang van deze datum geen recht meer op loon bestaat (art. 1a lid 1 onderdeel b WW). Het UWV heeft dan ook terecht besloten de eerste WW-dag te verschuiven van 15 december 2015 naar 1 juli 2016.
Terugvordering is niet onaanvaardbaar
Werkneemster voert verder aan dat in het onderhavige geval sprake is van dringende redenen om van terugvordering door het UWV af te zien (art. 36 lid 6 WW). De rechtbank volgt werkneemster hierin niet. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2018:563) kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale consequenties die een terugvordering voor een betrokkene heeft. Volgens de rechtbank is hiervan in het onderhavige geval geen sprake. De stelling van werkneemster dat zij een forse schuld bij haar advocaat heeft en geld van haar ouders heeft geleend, is in onvoldoende mate onderbouwd. Hiertegenover staat dat OnderwijsPost de aan werkneemster verschuldigde billijke vergoeding inmiddels heeft uitbetaald, zodat de financiële situatie van werkneemster wordt geacht niet meer zo nijpend te zijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard.