Rechtspraak
werkneemster/werkgeefsterRechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 december 2018
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkneemster is in de periode van 10 september 2009 tot 1 december 2015 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst geweest van werkgeefster als therapeut zonder specialisatie. In de per 1 juli 2013 gewijzigde arbeidsovereenkomst is opgenomen dat werkneemster een variabel salaris ontvangt, met daarin verwerkt het vakantiegeld, de vakantietoeslag en de pensioenbijdrage (all-in loon). Werkneemster vordert werkgeefster te veroordelen tot betaling van achterstallig loon over vakantiedagen, alsmede vakantietoeslag. Werkgeefster heeft volgens werkneemster ten onrechte nooit vakantietoeslag en loon over de vakantiedagen uitbetaald.
Oordeel
Vakantietoeslag
De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bepaalt in artikel 17 lid 2 dat bij schriftelijke overeenkomst kan worden afgeweken van uitbetaling ineens in juni, met dien verstande dat uitbetaling ten minste eenmaal per kalenderjaar dient te geschieden. Daarvan is hier sprake nu de vakantietoeslag onderdeel uitmaakt van het variabele salaris dat maandelijks wordt uitbetaald. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Vakantiedagen
De kantonrechter overweegt dat voor de vraag of een all-in loon toelaatbaar is op het punt van de vergoeding voor vakantiedagen, van belang is of voldoende duidelijk is welk deel van het loon gereserveerd is voor doorbetaling bij het opnemen van vakantie en of de werknemer ook daadwerkelijk in de gelegenheid wordt gesteld om vakantie te genieten. Dit laatste staat niet ter discussie. De vraag of het deel van het loon dat is gereserveerd voor de loondoorbetaling tijdens vakantie op een voldoende transparante begrijpelijke wijze aan werkneemster duidelijk is gemaakt, beantwoordt de kantonrechter ontkennend. In de arbeidsovereenkomst staat niets over de vergoeding voor vakantiedagen. In de andere overgelegde arbeidsovereenkomsten staat zelfs niets over vakantietoeslag en het recht op betaalde (of onbetaalde) vakantiedagen. Over loon wordt in die arbeidsovereenkomsten slechts opgemerkt dat het garantieloon wordt betaald. Dat werkneemster zelf zou kunnen uitrekenen welk deel van het loon is gereserveerd voor doorbetaling tijdens vakantie, maakt niet dat sprake is van een transparante en duidelijke regeling. Dit geldt temeer nu werkneemster geen vast aantal uren per week werkte en een variabele vergoeding per behandeling ontving. De conclusie moet daarom zijn dat in strijd met de wet en Richtlijn 2003/88/EG werkgever werkneemster niet in staat heeft gesteld betaald vakantieverlof op te nemen, zodat de vordering moet worden toegewezen. De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 9.770,98 (bruto) voor wettelijke vakantiedagen en € 1.465,65 (bruto) voor de bovenwettelijke vakantiedagen, exclusief vakantietoeslag, nu dit laatste reeds in het (uur)loon is opgenomen.
Verval
Werkgeefster heeft betoogd dat de vergoeding voor wettelijke vakantiedagen is vervallen, zes maanden na het voorafgaande jaar waarin deze zijn opgebouwd. Dit betoog volgt de kantonrechter niet. Verval van wettelijke vakantiedagen is in het leven geroepen om opsparen van vakantiedagen tegen te gaan en de recuperatiefunctie van vakantieverlof onaangetast te laten. Niet in het geding is dat werkneemster daadwerkelijk verlof heeft genoten, zodat van verval van aanspraken geen sprake is. Hiervoor is overwogen en beslist dat deze daadwerkelijk opgenomen vakantie-uren onbetaald zijn gelaten, zodat er een loonvordering is ontstaan. Geen rechtsregel bepaalt dat deze loonvordering het vervalregime van de wettelijke vakantiedagen dient te volgen.