Naar boven ↑

Rechtspraak

Vester/Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering
Hof van Justitie van de Europese Unie, 14 maart 2019
ECLI:EU:C:2019:212

Vester/Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering

Migrerende werknemer heeft recht op aanvullende uitkering UWV om zodoende verschil in wachttijd België (52 weken) en Nederland (104 weken) tot invalide-uitkering te overbruggen.

Feiten

Na van 10 november 1997 tot 31 maart 2015 in Nederland te hebben gewerkt, heeft Vester, een Nederlandse onderdaan die in België woont, met ingang van 2 april 2015 een werkloosheidsuitkering ontvangen van het bevoegde Belgische orgaan. Op 7 april 2015 heeft Vester zich arbeidsongeschikt gemeld bij het bevoegde Belgische orgaan. Ofschoon zij niet voldeed aan de voorwaarden van de Belgische wettelijke regeling, heeft het bevoegde Belgische orgaan haar met ingang van die datum en tot en met 6 april 2016 een arbeidsongeschiktheidsuitkering verleend op basis van het beginsel van samentelling van tijdvakken van verzekering voorzien in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 883/2004. Op 7 april 2016 is Vester in België invalide verklaard. Het UWV heeft de aanvraag van Vester afgewezen, omdat zij niet voldeed aan de wachttijd van 104 weken. Het Riviz heeft de aanvraag in België afgewezen, daar zij evenmin voldeed aan de voorwaarden voor een uitkering in België. De verwijzende rechter merkt op dat als gevolg van de afwijking tussen de Belgische en de Nederlandse wettelijke regeling voor wat betreft de duur van de 'wachttijd' van arbeidsongeschiktheid waarvan de invalideverklaring in België en Nederland afhangt, Vester tussen 7 april 2016, de datum van afloop van die 'wachttijd' volgens de Belgische wettelijke regeling, en 3 april 2017, de datum van afloop van die 'wachttijd' volgens de Nederlandse wettelijke regeling, geen enkele uitkering heeft ontvangen. De verwijzende rechter vraagt zich af of een dergelijke situatie verenigbaar is met de artikelen 45 en 48 VWEU.

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.

Migrerende werknemer heeft recht op aanvullende uitkering UWV om zodoende verschil in wachttijd België (52 weken) en Nederland (104 weken) tot invalide-uitkering te overbruggen

Bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Europese Unie staat het elke lidstaat dan ook vrij met name de voorwaarden vast te stellen waaronder recht bestaat op uitkeringen (HvJ EU 21 februari 2013, C-282/11, Salgado González, ECLI:EU:C:2013:86, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en HvJ EU 7 december 2017, C-189/16, Zaniewicz-Dybeck, ECLI:EU:C:2017:946, punt 39). Bij de uitoefening van die bevoegdheid dienen de lidstaten niettemin het Unierecht in acht te nemen, en in het bijzonder de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (HvJ EU 21 februari 2013, C-292/11, Salgado González, ECLI:EU:C:2013:86, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en HvJ EU 7 december 2017, C-189/16, Zaniewicz-Dybeck, ECLI:EU:C:2017:946, punt 40). Dienaangaande zij beklemtoond dat het VWEU een werknemer niet waarborgt dat de uitbreiding van zijn werkzaamheden naar meer dan één lidstaat of de verlegging daarvan naar een andere lidstaat, voor de sociale zekerheid neutraal is. Gelet op de verschillen tussen de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten kan een dergelijke uitbreiding of verlegging naargelang het geval voor de betrokkene meer of minder voordelig of nadelig uitvallen voor zijn sociale bescherming. Hieruit volgt dat een dergelijke wetgeving, ook wanneer de toepassing ervan minder gunstig uitvalt, in overeenstemming is met de artikelen 45 en 48 VWEU indien zij de betrokken werknemer niet benadeelt ten opzichte van degenen die al hun werkzaamheden uitoefenen in de lidstaat waar zij van toepassing is, of ten opzichte van degenen die er voordien reeds aan onderworpen waren, en indien zij niet zonder meer ertoe leidt dat sociale bijdragen worden betaald die geen recht geven op een tegenprestatie (zie in die zin HvJ EG 1 oktober 2009, C-3/08, Leyman, ECLI:EU:C:2009:595, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook al maakt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling a priori geen onderscheid tussen migrerende en niet-migrerende werknemers – zij bepaalt immers algemeen dat een werknemer na afloop van een periode van arbeidsongeschiktheid van twee jaar invalide wordt verklaard –, in de praktijk heeft zij tot gevolg dat migrerende werknemers die zich in een situatie als die van Vester bevinden, gedurende het tweede jaar van hun arbeidsongeschiktheid worden benadeeld ten opzichte van niet-migrerende werknemers en een voordeel van sociale zekerheid verliezen dat die wettelijke regeling hun moest waarborgen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat werknemers die, in tegenstelling tot Vester, geen gebruik maken van hun recht van vrij verkeer en hun gehele periode van arbeidsongeschiktheid krachtens de Nederlandse wettelijke regeling vervullen, gedurende de twee jaar dat deze periode duurt van het bevoegde Nederlandse orgaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen. Vast staat dat Vester gedurende het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid dat zij krachtens de Nederlandse wettelijke regeling heeft vervuld, niet die uitkering heeft gekregen. In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de toepassing van de Nederlandse wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, op een migrerend werknemer die zich in een situatie als die van Vester bevindt, gevolgen heeft die onverenigbaar zijn met het doel van artikel 45 VWEU als gevolg van het feit dat het recht op invaliditeitsuitkeringen van Vester achtereenvolgens werd geregeld door onderling afwijkende wettelijke regelingen. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat een dergelijke divergentie van wettelijke regelingen meebrengt dat het in artikel 4 lid 3 VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking de bevoegde nationale organen verplicht, alle hun ter beschikking staande middelen aan te wenden om het doel van artikel 45 VWEU te bereiken (zie in die zin HvJ EG 1 oktober 2009, C-3/08, Leyman, ECLI:EU:C:2009:595, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat inderdaad aan de bevoegde nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten om te bepalen welke middelen van nationaal recht het meest geschikt zijn om de gelijke behandeling van migrerende en niet-migrerende werknemers te bewerkstelligen. Beklemtoond zij echter dat dit doel a priori kan worden bereikt door migrerende werknemers die zich in een situatie als die van het onderhavige hoofdgeding bevinden, ook gedurende het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid dat de Nederlandse wettelijke regeling verlangt, een arbeidsongeschiktheidsuitkering te geven.

Conclusie

Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 45 en 48 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin een werknemer die na een periode van arbeidsongeschiktheid van één jaar door het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin hij woont invalide is verklaard, zonder dat hij echter op basis van de wettelijke regeling van die lidstaat in aanmerking kan komen voor een invaliditeitsuitkering, volgens het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin hij al zijn tijdvakken van verzekering heeft vervuld nog een extra periode van een jaar arbeidsongeschikt moet zijn voordat hij invalide wordt verklaard en hem geprorateerde invaliditeitsuitkeringen worden verleend, zonder dat hij gedurende die periode echter een arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgt.