Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 juli 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:6155
verzoekster/verweerder
Feiten
Verzoekster heeft op 15 februari 2009 een 'thuiswerkovereenkomst' gesloten met verweerder in de functie van salarisadministrateur. Zij heeft op 1 januari 2014 een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid opgericht en heeft vanaf die datum maandelijks facturen bij verweerder in rekening gebracht. De functie van verzoekster is op dezelfde datum gewijzigd in operationeel directeur en de werkzaamheden verrichte zij vrijwel altijd vanuit haar eigen woning. Op 8 februari 2019 heeft de (indirect) bestuurder van verweerder de ‘overeenkomst van opdracht’ per direct beëindigd. Verzoekster verzoekt voor recht te verklaren dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft bestaan en verzoekt, nu zij berust in de beëindiging, een billijke vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat vanaf het jaar 2014 tussen partijen sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht. Het was uitdrukkelijk de bedoeling van beide partijen om een opdrachtovereenkomst aan te gaan. Verzoekster heeft daartoe op 1 januari 2014 een vennootschap opgericht, met als doel om als zelfstandig ondernemer werkzaamheden voor verweerder te gaan verrichten. In de praktijk hebben partijen ook als zodanig gehandeld en invulling gegeven aan die overeenkomst, terwijl aan de eerder bestaande arbeidsovereenkomst vanaf januari 2014 juist geen inhoud meer is gegeven. De vennootschap van verzoekster bracht maandelijks een factuur in rekening en de hoogte van de vergoeding is niet vergelijkbaar met het eerdere salaris van verzoekster. Bovendien heeft zij telkens zelf loonheffingen afgedragen. Dat de overeenkomst van opdracht niet schriftelijk is vastgelegd en dat verweerder van tijd tot tijd opdrachten aan verzoekster verstrekte met betrekking tot de werkzaamheden doet niet af aan dit oordeel. Van wie het initiatief is uitgegaan voor het aangaan van de overeenkomst van opdracht en of verweerder de enige opdrachtgever van de vennootschap van verzoekster was, zijn geen doorslaggevende factoren. Datzelfde geldt indien het voor een buitenstaander leek alsof verzoekster (wel) in dienst was bij verweerder en zich jegens derden niet presenteerde als een zelfstandige met een eigen bedrijf. Bovendien was verzoekster zich terdege bewust van het feit dat zij op basis van een opdrachtovereenkomst werkzaam was. De kantonrechter wijst het verzoek van verzoekster af.