Naar boven ↑

Rechtspraak

Ondernemingen beroepsvervoer over de weg waren in 2010 en 2011 pensioenpremie verschuldigd over onregelmatigheidstoeslag. Ondernemingen mochten er niet (meer) gerechtvaardigd op vertrouwen dat BPF ermee akkoord ging dat daarover geen premie werd afgedragen.

Feiten

DHL c.s. houden zich bezig met beroepsvervoer over de weg. Tot 1 januari 2006 was de pensioenregeling van DHL c.s. ondergebracht bij de Pensioenstichting Transport (hierna: PST). Vanaf die datum zijn DHL c.s. aangesloten bij de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg (hierna: BPF). Op grond van toepasselijke cao’s zijn DHL c.s. gehouden aan hun werknemers een onregelmatigheidstoeslag (hierna: TOW) te betalen. DHL c.s. zijn met hun werknemers overeengekomen dat over de TOW geen pensioenpremie wordt afgedragen. Het bij BPF geldende pensioenreglement (hierna: het Pensioenreglement) bepaalt in artikel 2.2 onder 1 dat onder (pensioendragend) loon onder meer wordt verstaan ‘eventuele ploegen- en onregelmatigheidstoeslag’. Partijen hebben vanaf 2010 gediscussieerd over de vraag of de TOW al dan niet tot het pensioengevend loon in de zin van het Pensioenreglement behoort, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. De in dit kader door BPF aan DHL c.s. gestuurde facturen van april 2013 hebben DHL c.s. onbetaald gelaten. In dit geding vordert BPF een verklaring voor recht dat de TOW vanaf 1 januari 2006 onder het pensioengevend loon als bedoeld in het Pensioenreglement valt en veroordeling van DHL c.s. tot betaling van de aan hen in rekening gebrachte bedragen. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. In zijn tussenarrest van 19 januari 2016 (hierna: het eerste tussenarrest) heeft het hof DHL c.s. in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat zij in 2007 met BPF hebben afgesproken dat voor DHL c.s. zou blijven gelden dat de persoonlijke toeslag (hierna: PT) wél pensioendragend is en de TOW niet. In zijn tussenarrest van 20 juni 2017 (hierna: het tweede tussenarrest) heeft het hof onder meer geoordeeld dat de door DHL c.s. gestelde afspraak niet is bewezen, maar dat uit het bewijsmateriaal wel kan worden afgeleid dat BPF door zijn wijze van optreden tot 2010 bij DHL c.s. het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat BPF gedoogde dat over de TOW geen premie werd afgedragen. In zijn eindarrest heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, DHL c.s. veroordeeld tot betaling aan BPF van € 1.849.347,76 (inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten) met betrekking tot pensioenpremies over de jaren 2010 en 2011. BPF heeft tegen de arresten beroep in cassatie ingesteld. DHL heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Oordeel

Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de bestreden arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 Wet RO).

Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

Afspraak DHL en BPF

Onderdeel 1 van het middel is van belang voor de toewijzing van de vordering van BPF voor zover het de jaren 2010 en 2011 betreft en is gericht tegen r.o. 2.13 van het tweede tussenarrest. Daarin is onder meer overwogen: ‘Een en ander (zie onder 2.3, 2.8 en 2.12) komt er al met al op neer dat het BPF destijds duidelijk was wat DHL wilde (de TOW blijft niet pensioendragend en de PT blijft dat wel), dat een onderzoek of dat kon is uitgelopen op de enkele reactie van de zijde van BPF dat DHL het pensioengevend loon diende op te geven en dat tijdens de voorlichtingbijeenkomsten aan de werknemers van DHL die het betrof van de zijde van DHL (…) is gezegd dat de TOW niet pensioendragend bleef en dat de PT dat wèl bleef en daarop van de zijde van BPF toen verder niet is gereageerd. Met dit alles is naar het oordeel van het hof niet bewezen dat destijds tussen DHL en BPF een afspraak tot stand is gekomen, inhoudende dat de TOW – in afwijking van artikel 2.2 onder 1 van het pensioenreglement van BPF (…) niet pensioendragend is (en de PT wèl).’ Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte alleen de getuigenverklaringen aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd en dat het niet tevens het eerder overgelegde schriftelijke bewijs in zijn bewijswaardering heeft betrokken. In elk geval is het bewijsoordeel van het hof zonder nadere motivering niet voldoende begrijpelijk, aldus het onderdeel. In de r.o. 2.1-2.13 van het tweede tussenarrest, gelezen in samenhang met r.o. 3.5 van het eerste tussenarrest, ligt besloten dat naar het oordeel van het hof uit het voorhanden bewijsmateriaal, waartoe inmiddels ook de tijdens het verhoor afgelegde getuigenverklaringen behoorden, niet kan worden afgeleid dat de door DHL c.s. gestelde afspraak is gemaakt. Daarbij heeft het hof een aantal in het onderdeel genoemde stukken met zoveel woorden nogmaals in zijn bewijswaardering betrokken. DHL c.s. hebben in het bijzonder een beroep gedaan op de frase in het verslag van 24 mei 2007 waarin het antwoord van administratiebureau Syntrus op de vraag of tegemoet kan worden gekomen aan de wens van DHL dat de PT pensioendragend blijft en de TOW niet als volgt is verwoord: ‘DHL dient het pensioengevend loon op te geven.’ Het oordeel van het hof in zijn tweede tussenarrest komt erop neer dat, ook gelet op hetgeen de getuigen over besprekingen van 19 april en 24 mei 2007 hebben verklaard, uit genoemd antwoord niet kan worden afgeleid dat BPF ermee akkoord ging dat geen premie werd afgedragen over de TOW. De klachten zijn dan ook ongegrond.

Buitengerechtelijke incassokosten

Onderdeel 4.d klaagt dat het hof ten onrechte niet, althans niet voldoende kenbaar, heeft gerespondeerd op het verweer van DHL c.s. dat in de gegeven situatie, waarin tussen partijen sprake is geweest van een jarenlang traject van onderhandelingen, besprekingen en briefwisselingen, waarbij BPF ook zelf ruimte liet voor de mogelijkheid dat een beperkte premieplicht zou worden afgesproken, en zich vervolgens op het standpunt stelde dat sprake is van een incassozaak, het vorderen van buitengerechtelijke incassokosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het oordeel van het hof komt erop neer dat BPF aanspraak kan maken op een rente ter hoogte van de wettelijke handelsrente, omdat dit in het Uitvoeringsreglement is bepaald. In r.o. 2.18 (gelezen in samenhang met r.o. 2.17) ligt besloten dat het hof het betoog van DHL c.s., dat het vorderen van de bedongen vergoeding voor buitengerechtelijke kosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft verworpen. In het licht van de door het onderdeel genoemde omstandigheden waarop DHL c.s. ter onderbouwing van hun betoog een beroep hebben gedaan, behoefde dat oordeel evenwel nadere motivering. De klacht is gegrond. De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof voor zover daarbij de door BPF gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn toegewezen. De overige klachten van de onderdelen 1 en 4 kunnen niet tot cassatie leiden en worden afgedaan op artikel 81 Wet RO.