Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 19 juli 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:1309
Feiten
Werknemer is op 9 september 2013 in dienst getreden bij Meka Meterkasten B.V. (hierna: Meka). Er is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. De cao voor de Houtverwerkende industrie is van toepassing. Werknemer heeft op 6 november 2017 een gesprek met de bestuurder van Meka over een gedwongen opname van werknemer. Werknemer is (naar eerst in hoger beroep aan Meka is gebleken) bij strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2018 veroordeeld tot een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde dat hij zich in verband met zijn verslavingsproblematiek klinisch laat opnemen in FPA De Mare of een soortgelijke instelling, zolang de (geneesheer-)directeur van die instelling dat nodig vindt, met een maximum van een jaar. Eind april 2018 is er schriftelijk contact tussen de toenmalige gemachtigde van werknemer en de bestuurder van Meka, waarbij Meka op 18 mei 2018 schriftelijk heeft bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met werknemer op 6 november 2017 mondeling is opgezegd tegen 30 november 2017. Op 14 februari 2018 heeft het UWV de aanvraag van werknemer voor een ziektewetuitkering afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft werknemer op 26 maart 2018 bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dit bezwaar op 5 september 2018 ongegrond verklaard. De toenmalige advocaat van werknemer heeft op 11 januari 2019 een brief aan Meka gestuurd waarin de beëindiging van het dienstverband wordt betwist en waarin aanspraak wordt gemaakt op loondoorbetaling bij ziekte en uitbetaling van achterstallig loon. Werknemer verzoekt de kantonrechter om een verklaring voor recht dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en Meka te veroordelen tot betaling van achterstallig loon. Meka doet een beroep op rechtsverwerking. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is blijven bestaan maar dat het beroep van Meka op de rechtsverwerking slaagt en dat daardoor de vorderingen van werknemer worden afgewezen. In hoger beroep komt werknemer tegen het oordeel van de kantonrechter.
Oordeel
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking het enkele tijdsverloop of stilzitten onvoldoende is. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter met juistheid heeft geoordeeld dat Meka een beroep toekomt op rechtsverwerking, om o.a. de volgende redenen: (a) werknemer heeft geen bezwaar gemaakt tegen stopzetting van het loon in november 2017, (b) werknemer heeft geen bezwaar gemaakt tegen het standpunt van Meka dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd, (c) werknemer heeft in de bezwaarprocedure bij het UWV expliciet vermeld dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd, (d) werknemer heeft tot 11 januari 2019 gewacht om aanspraak te doen op het achterstallig loon en (e) werknemer is sinds november 2017 bijgestaan door een advocaat. Er is naar het oordeel van het hof aldus sprake van bijzondere omstandigheden en een handelwijze van werknemer die meer omvat dan het enkel stilzitten of laten verstrijken van de tijd. Werknemer heeft ook gegriefd tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Het hof is van oordeel dat werknemer door de kantonrechter ten onrechte is veroordeeld in de kosten van de procedure, hoewel zijn vordering door de kantonrechter wel terecht is afgewezen. Aangezien werknemer aanspraak maakt op loon bij ziekte, schrijft artikel 7:629a lid 6 BW voor dat hij alleen kan worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Meka heeft niet gesteld dat hiervan aan de zijde van werknemer sprake is. Uitsluitend ten aanzien van de proceskosten wordt het vonnis van de kantonrechter vernietigd.