Rechtspraak
Feiten
Werkneemster is bij Van den Mossel in dienst geweest vanaf 2 januari 2006, aanvankelijk als administratief medewerkster en vanaf 1 maart 2016 als hoofd administratie. Op 30 oktober 2017 heeft werkneemster de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 december 2017. Op maandag 5 december 2017 heeft De Telegraaf een artikel over Van Mossel gepubliceerd, waarin Van Mossel werd beticht van fraude, valsheid in geschrifte en oplichting. Enkele zakelijke relaties van Van Mossel kregen een anoniem verzonden e-mail met soortgelijke mededelingen over Van Mossel. Enkele dagen later is gebleken dat dit artikel was gebaseerd op onjuiste informatie die de financieel directeur van Van Mossel had doorgegeven aan De Telegraaf. Van Mossel heeft daarna ontdekt dat de financieel directeur voor ongeveer € 1.000.000 heeft verduisterd van haar. Daarvoor (en voor witwassen) is de financieel directeur inmiddels strafrechtelijk veroordeeld. De financieel directeur was de leidinggevende van werkneemster. Volgens Van Mossel is werkneemster betrokken geweest bij al deze onrechtmatige gedragingen van de financieel directeur, of was in ieder geval daarvan op de hoogte en had zij Van Mossel moeten waarschuwen. Volgens werkneemster is zij op geen enkele manier hierbij betrokken geweest en was zij ook niet op de hoogte van dit alles. Van Mossel heeft zowel de financieel directeur als werkneemster aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. Van Mossel heeft deze procedure aanhangig gemaakt tegen zowel de financieel directeur als tegen werkneemster. De rechtbank heeft vrijwel alle vorderingen jegens de financieel directeur toegewezen en de vorderingen jegens werkneemster afgewezen.
Het hof heeft geoordeeld dat de vraag of werkneemster aansprakelijk is ter zake de gestelde verduistering, afhankelijk is van de vraag of bij haar sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid. Van Mossel is het niet eens met deze maatstaf en wijst erop dat hij uitsluitend artikel 6:162 BW aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt als volgt.
Maatstaf van artikel 7:661 BW geldt ook voor claims van materiële werkgevers binnen concernverband gebaseerd op artikel 6:162 BW.
Het onderdeel betoogt onder meer dat deze aan artikel 7:661 lid 1 BW ontleende maatstaf slechts geldt in de rechtsverhouding tussen werkgever en werknemer. Het onderdeel wijst erop dat Van Mossel c.s. aan hun vorderingen uitsluitend artikel 6:162 BW ten grondslag hebben gelegd, dat de werkneemster niet in dienst was van Van Mossel c.s. en dat evenmin een van deze vennootschappen als de materiële werkgeefster van de werkneemster kan worden beschouwd. Indien het hof heeft bedoeld dat de werkneemster werkzaamheden verrichtte voor Van Mossel c.s., dan heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door alleen op grond daarvan (‘in zoverre’) materieel werkgeverschap aan te nemen, want het hof heeft nergens vastgesteld dat sprake geweest zou zijn van een gezagsverhouding en/of toezicht en leiding van de Van Mossel-vennootschappen, aldus het onderdeel.
Deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft voor zijn oordeel dat de maatstaf van artikel 7:661 lid 1 BW van toepassing is, in aanmerking genomen dat:
– de werkneemster weliswaar niet bij Van Mossel c.s. in dienst was, maar wel bij de aan Van Mossel c.s. gelieerde vennootschap Van Mossel Autoschadegroep B.V;
– de werkzaamheden van de werkneemster zich niet beperkten tot Van Mossel Autoschadegroep B.V., maar dat zij voor alle tot de Van Mosselgroep behorende schadebedrijven werkzaamheden verrichtte, dus ook voor de vennootschappen die partij zijn in deze procedure;
– de aan werkneemster verweten betrokkenheid bij de verduistering door de financieel directeur geheel ziet op de wijze waarop zij haar werkzaamheden heeft verricht.
Het oordeel van het hof dat onder deze omstandigheden voor de aansprakelijkheid van de werkneemster jegens Van Mossel c.s. de maatstaf van artikel 7:661 lid 1 BW (opzet of bewuste roekeloosheid) heeft te gelden, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Het arrest wordt alsnog vernietigd op bewijsaanbodtechnische en motiveringsgebrekkige gronden.