Rechtspraak
Hoge Raad, 9 juni 2023
ECLI:NL:HR:2023:872
Feiten
Aan zijn beroep op artikel 7:658 BW heeft werknemer ten grondslag gelegd dat hij, in de ochtend van 3 maart 2016, tijdens de uitoefening van spuitwerkzaamheden bij Hydrauvision van een rolsteiger is gevallen (hierna: ‘het ongeval’). Volgens werknemer zijn Hydrauvision en Rida op grond van artikel 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk jegens werknemer voor de schade die hij heeft opgelopen als gevolg van zijn arbeidsongeval. Rida zou, als formele werkgever van werknemer, aansprakelijk zijn op grond van artikel 7:658 lid 1 en 2 BW, Hydrauvision als inlener (materiële werkgever) op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. Hydrauvision c.s. betwisten dat sprake is van schade in de uitoefening van de werkzaamheden. Het hof heeft aansprakelijkheid aangenomen en verwezen naar de schadestaatprocedure. Hydrauvision c.s. klagen hierover in cassatie.
Conclusie A-G Hartlief
Maatschappelijk risico uitgezonderd, maar geen bestendige lijn
In lijn met het gegeven dat de zorgplicht van de werkgever niet absoluut is en dat, in het algemeen, niet iedere vorm van gevaarzetting onrechtmatig is, wordt niet van de werkgever verwacht dat hij alle risico’s uitbant die kunnen ontstaan bij het uitoefenen van werkzaamheden. Ook in het kader van het werk is er een zeker ‘normaal maatschappelijk risico’ waarvoor een getroffen werknemer zijn werkgever niet met succes kan aanspreken. Eigenlijk gaat het om gevallen waarin de betrokken werknemer geen aanspraak kan maken op zorg door de werkgever, doch in plaats daarvan zelf moet opletten. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om alledaagse gevaren die men niet alleen in de context van het werk maar ook daarbuiten (‘in het normale leven’) tegenkomt en waartegen men zich op een zelfde wijze als ‘normaal’, buiten het werk dus, kan wapenen. In een dergelijk geval mag de werkgever in principe rekenen op die normale afdoende oplettendheid. Het verbaast niet dat in dit verband wel wordt verwezen naar ‘huis-, tuin- en keukengevaren’ of ‘huis-, tuin- en keukenongelukjes’. Zo wordt niet alleen gesuggereerd dat het gaat om ongevallen die eigenlijk meer met (on)oplettendheid van de werknemer te maken hebben dan met een gebrekkige inrichting van het werk of de werkplek, maar wordt ook een zekere onbenulligheid van het ongeval benadrukt. Van een duidelijke lijn van terughoudendheid in de rechtspraak van de Hoge Raad bij het aannemen van werkgeversaansprakelijkheid voor schade die is ontstaan door de verwezenlijking van risico’s die men pleegt te kennen uit het dagelijks leven, is echter geen sprake. Hoewel er dus gevallen zijn waarin het te ver gaat om zorg van de werkgever te verlangen en in plaats daarvan op de eigen verantwoordelijkheid (oplettendheid en voorzichtigheid) van de werknemer mag worden gerekend, lijkt het niet verstandig om in dit verband te spreken van een bijzondere categorie van ‘huis-, tuin- en keukengevaren’ of ‘huis-, tuin- en keukenongelukken’. Dat doet niet alleen geen recht aan de rechtspraak van de Hoge Raad die niet in die sleutel staat, maar vooral ook niet aan het gegeven dat alledaagse gevaren in de context van het werk, bijvoorbeeld door het structurele karakter van de blootstelling maar ook door het gegeven dat werknemers juist ook bij dit type werkzaamheden niet altijd optimaal geconcentreerd en alert zullen zijn, wel degelijk serieus kunnen worden zodat zij aanleiding geven tot door de werkgever te treffen maatregelen.
Toedracht ongeval - stelplicht en bewijslast
De subonderdelen leggen te veel de nadruk op (duidelijkheid over) de exacte toedracht van het ongeval. Het uitgangspunt is hier immers dat de werknemer die op grond van artikel 7:658 BW schadevergoeding wil vorderen van zijn werkgever voor schade die hij heeft geleden vanwege een arbeidsongeval, eerst moet stellen, en bij voldoende betwisting bewijzen, dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. In deze fase is het dus voldoende dat komt vast te staan dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, en niet dat de exacte omstandigheden komen vast te staan waaronder hij deze schade heeft geleden. Van de werknemer mag natuurlijk worden verwacht dat hij enige feiten stelt over de omstandigheden waaronder hij de schade tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden is opgelopen, maar van hem mag niet worden verwacht dat hij de exacte of de juiste toedracht van het arbeidsongeval waardoor hij schade heeft geleden stelt en bewijst. Blijft de oorzaak van het ongeval onduidelijk, dan draagt de werkgever hiervan het bewijsrisico
Schending zorgplicht
Voorop staat dat het hof als uitgangspunt heeft genomen dat werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden van een klimmiddel is gevallen. Ten aanzien van deze omstandigheden heeft het hof vervolgens beoordeeld of Hydrauvision c.s. hun zorgplicht hebben geschonden en dat deze schending ligt in een gebrek in de organisatie van het uit te voeren werk. Hydrauvision heeft, kort gezegd, onvoldoende gecontroleerd of de door werknemer te spuiten slangbreukventielen wel aan de juiste haken hingen. Dat de exacte toedracht van het ongeval onduidelijk is gebleven, komt voor risico van Hydrauvision c.s. Op werknemer rust als werknemer niet de stelplicht en bewijslast van de schending van de zorgplicht van zijn werkgever. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW dient de werkgever te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Anders dan het subonderdeel betoogt, mocht van werknemer dan ook niet worden verwacht dat hij specifiek aangaf “wat die schending van de zorgplicht nu precies inhield”. Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door, kort gezegd, een zorgplichtschending aan te nemen voor een gebrekkige organisatie ten aanzien van de haken waar de te spuiten slangbreukventielen te hoog aan waren opgehangen, terwijl werknemer slechts heeft gesteld dat hij is gevallen van een onveilige rolsteiger, miskent het dat werknemer ook heeft gesteld dat hij een klimmiddel nodig had omdat de slangbreukventielen te hoog voor hem hingen en dat dit kwam doordat de slangbreukventielen aan te korte haken waren gehangen. Hierop is ook gereageerd door Hydrauvision c.s. en dit is uitgebreid besproken tijdens de mondelinge behandeling in het hoger beroep. Door een zorgplichtschending aan te nemen op grond van een gebrekkige organisatie van het te verrichten werk in plaats van de door werknemer gestelde onveilige steiger heeft het hof dan ook niet artikel 24 Rv en artikel 149 Rv miskend.
Geen huis-tuin- en keukenongeval
Wanneer een werkgever klimmiddelen in een spuitcabine plaatst, ligt het voor de hand dat werknemers deze zullen gebruiken bij de uitoefening van hun werkzaamheden als zij de noodzaak daartoe zien. Het is in dat geval voldoende kenbaar voor de werkgever dat zijn werknemers in de spuitcabine de klimmiddelen daadwerkelijk kunnen gebruiken. Ook is het begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de aard van de werkzaamheden meebrengt dat het gebruik van het klimmiddel verder gaat dan ‘huis-, tuin- en keukengebruik’. Het gaat niet alleen om het feit dat een klimmiddel wordt gebruikt, maar ook om wat er vervolgens staande op het klimmiddel wordt gedaan. In dit geval brengt de door het hof omschreven aard van de werkzaamheden mee dat dit verder gaat dan wat men in het dagelijks leven staand op een klimmiddel doet.
Oordeel
De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).