Naar boven ↑

Rechtspraak

eiseres/Stichting Zuyderland Medisch Centrum
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 17 juli 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:4655
De kantonrechter kan zonder deskundige niet oordelen over het causaal verband tussen het werk van een IC-specialiste en haar coronabesmetting, met post-COVID ten gevolge. Omdat het ziekenhuis zich aan de geldende adviezen heeft gehouden heeft het voldaan aan de zorgplicht en is het niet aansprakelijk jegens de specialiste.

Feiten

Eiseres was van 1 december 2000 tot 20 maart 2021 als medisch specialiste verbonden aan de Stichting Zuyderland Medisch Centrum (hierna: Zuyderland) als anesthesioloog-intensivist. Als vrijgesteld medisch specialiste was eiseres enig bestuurder en groot aandeelhouder van haar bv. Eiseres heeft voor zichzelf, alsmede als bestuurder van de bv, een ledenovereenkomst gesloten met de coöperatieve vereniging Coöperatie MSB Atrium-Orbis U.A. (hierna: MSB). MSB heeft met Zuyderland een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Vanaf 2020 brak het coronavirus in Nederland uit. De Nederlandse Vereniging voor Intensive Care publiceerde naar aanleiding van de coronapandemie een handreiking over het omgaan met het coronavirus op de intensive care (hierna: IC). Op 6 maart 2020 werkte eiseres meerdere uren met een patiënt die een coronabesmetting bleek te hebben. Zij droeg daarbij een mondmasker, een jas en handschoenen. Op 8 maart 2020 kreeg eiseres keelpijn en koorts. De volgende dag heeft haar partner een coronatest bij haar afgenomen, waarvan de uitslag negatief was. Eiseres is blijven werken, terwijl zij klachten had. Op 19 maart 2020 verergerden de klachten en kreeg eiseres koorts. Op 20 maart 2020 is zij positief getest op corona. Op 24 maart 2020 ging de gezondheidstoestand van eiseres achteruit. Enkele dagen later moest zij op de IC worden opgenomen. Nadien heeft eiseres langdurig moeten revalideren. Zij kampt met post-COVID en kan haar werkzaamheden niet langer uitoefenen. Eiseres vordert een verklaring voor recht dat Zuyderland aansprakelijk is voor haar schade, alsmede voorschotten op haar vermogens- en immateriële schade. Eiseres voert aan dat Zuyderland tekort is geschoten in haar zorgplicht en baseert haar aansprakelijkheidsstelling op artikel 7:658 lid 4 BW, de inlenersaansprakelijkheid. Subsidiair baseert zij haar vordering op de artikelen 6:162 BW, 6:171 BW en 6:76 BW. Zuyderland betwist aansprakelijk te zijn.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De tekst van artikel 7:658 lid 4 BW laat weinig aan duidelijkheid te wensen over: Zuyderland heeft in de uitoefening van haar bedrijf arbeid laten verrichten door eiseres. Dat eiseres een bv heeft en dat de ledenovereenkomst met MSB namens de bv is aangegaan, is niet van belang. Bovendien blijkt uit de tekst van de samenwerkingsovereenkomst tussen MSB en Zuyderland dat de leden van MSB de specialistische werkzaamheden in persoon uitvoeren. Uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt bovendien dat de specialistische zorg onder eindverantwoordelijkheid van Zuyderland wordt verleend en dat Zuyderland een rechtstreekse aanwijzingsbevoegdheid richting eiseres had. De constructie waarin de arbeid van eiseres werd verricht, is van ondergeschikt belang. Daar komt nog bij dat Zuyderland zich gezien de polisvoorwaarden van haar aansprakelijkheidsverzekering heeft gerealiseerd dat zij op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is voor schade van medisch specialisten die werkzaam zijn op basis van een toelatingsovereenkomst. Voor een geslaagd beroep op artikel 7:658 lid 4 BW dient eiseres te stellen en zonodig te bewijzen dat zij de schade in de uitoefening van haar werkzaamheden heeft opgelopen. Gelet op de betwisting door Zuyderland kan het causaal verband niet zonder meer worden aangenomen. Het kan zijn dat eiseres haar coronabesmetting door de patiënt die zij op 6 maart 2020 geholpen heeft, heeft opgelopen, maar het kan ook dat zij door een andere bron besmet is geraakt. De kantonrechter kan er niet omheen dat zij drie dagen na het zorgen voor de patiënt, op 9 maart 2020, negatief heeft getest. Beide partijen hebben wetenschappelijke bronnen aangevoerd om hun stellingen te onderbouwen. Het valt niet uit te sluiten dat eiseres de coronabesmetting heeft opgelopen door een van haar uitwonende dochters, van wie er één met COVID besmet was en één COVID-verdachte klachten heeft ontwikkeld in de betreffende periode. De kantonrechter acht het nodig een deskundige voorlichting te vragen over de kans dat eiseres de besmetting buiten de werkvloer heeft opgelopen. Om proceseconomische redenen geeft de kantonrechter alvast een oordeel over de vraag of Zuyderland aan haar zorgplicht heeft voldaan. Zuyderland heeft een coronabeleid geformuleerd dat met de geldende adviezen en handreikingen in overeenstemming was en heeft dit beleid ook gevolgd. Ten aanzien van de patiënt met wie eiseres op 6 maart 2020 heeft gewerkt, is dat beleid ook gevolgd. Eiseres voert nog aan dat zij geen spatbril droeg, maar het dragen van een dergelijke bril was naar het oordeel van de kantonrechter de verantwoordelijkheid van eiseres zelf. Zuyderland kan niet aansprakelijk worden geacht en aan het oproepen van een deskundige wordt niet toegekomen. Eiseres wordt in de proceskosten veroordeeld.