Rechtspraak
werkgeefster/werknemer
Werknemer is in dienst van een onderneming die zich richt op het vervaardigen van brood en vers banketbakkerwerk. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren. Gesteld wordt dat werknemer met zijn werkhouding en gedrag een indruk van ongeïnteresseerdheid wekt, zich defensief opstelt en blijk geeft van gebrek aan motivatie.
De kantonrechter oordeelt als volgt: het gestelde disfunctioneren is onvoldoende onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Voor zover dit al anders is (er is bijvoorbeeld geen enkel gespreksverslag noch enig geschrift waaruit blijkt van aanmerkingen of kritiek op werknemer, laat staan van een terechtwijzing), is in elk geval niet gebleken van gerichte maatregelen van de kant van werkgeefster om het gestelde disfunctioneren van werknemer te verbeteren. In het algemeen wordt opgemerkt dat van een goed werkgever als bedoeld in artikel 7:611 BW verwacht mag worden dat deze ten aanzien van een in haar ogen niet of minder functionerende werknemer concretiseert wat er aan schort en vervolgens gericht tracht dit te (doen) verbeteren. Hieraan heeft werkgeefster niet voldaan. Gelet op de duur van het dienstverband is het streven naar ontbinding van de arbeidsovereenkomst prematuur. Ook de persoonlijke omstandigheden van werknemer, mede in aanmerking nemend het eenzijdige arbeidsverleden, de leeftijd en de (deels overwonnen) hartklachten van werknemer en de daarmee samenhangende lastige positie op de arbeidsmarkt leiden tot het oordeel dat in casu geen sprake is van een dermate ernstige reden dat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst thans gerechtvaardigd is. De kantonrechter geeft partijen in overweging om in goed onderling overleg, desgewenst begeleid door een (onafhankelijke) bemiddelaar, te trachten de nu ontstane situatie het hoofd te bieden. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.